![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Jan Reijersz Molenaar (±1698 - 1769) Geboorte Omstreeks
1698 werd Jan geboren in Warmenhuizen bij de korenmolen aan de
Oostwal (nu Sportlaan 1). Zijn ouders waren Reijer Pietersz Molenaar (ongeveer
35 jaar oud) en Maartje Pieters. Gegevens over z'n geboorte of doop heb ik
verder niet gevonden. In 1722 was Jan nog minderjarig, en in juni 1724 was hij
meerderjarig (ik denk dat je in die tijd op 25-jarige leeftijd meerderjarig
werd, dus op die manier kom ik op een geboortejaar van ongeveer 1698). Erfenis van zijn moeder De eerste vermelding van Jan die ik heb gevonden is op 12 juni 1724. Hij woonde op dat moment "in de Waert". Nu weet ik met die vermelding nog niet waar dat nou is. Misschien de Schagerwaert of de Wieringerwaert. Jan woonde daar op dat moment blijkbaar sinds kort. Waar hij voor die tijd woonde is niet bekend. Z'n jeugd zal hij hebben doorgebracht in Warmenhuizen. Hij spande in 1724 samen met z'n zus en zwager een proces aan tegen z'n vader over de erfenis van z'n moeder. Het verhaal hierover is te lezen in deel D over
Huwelijk In 1725 woonde Jan in Winkel. Op 18 november van dat jaar trouwde hij met Maartje Cornelis Cramer uit Nieuwe Niedorp. Zij was de dochter van Cornelis Cramer en had op dat moment een zus Trijntje en een broer Dirk. Haar zus Trijntje was sinds 1718 getrouwd met Jacob Claesz Kieft en haar broer Dirk sinds 2 juli 1719 met Geertje Dirks. Haar moeder was waarschijnlijk al overleden. Haar vader was vlak voor of vlak na het huwelijk van Jan en Maartje overleden (in ieder geval voor 3 december 1725). Op 22 april 1724 had vader in Nieuwe Niedorp z'n testament op laten maken met de volgende inhoud:
Verkoop onroerend goed Het
geërfde huis op de Hoogzijde van Nieuwe Niedorp verkocht Jan vlak na zijn huwelijk aan z'n zwager Dirk Cornelisz Cramer. De
koopsom was 350 gulden en zou door Dirk in 3 jaarlijkse
termijnen in mei 1726, 1727 en 1728 betaald worden.
Op
19 februari 1726 verkocht
hij vervolgens nog eens 6 geerzen land gelegen boven 't Pad. Ik neem aan dat dit
het land is wat genoemd werd in het testament van Cornelis Cramer en wat Jan en
Maartje dus geërfd hadden. In de
omschrijving staat nu echter dat het groetland was (geen weiland dus) en belend
Jan Etsz. Loen ten zuidoosten, en Dirk Cramer ten noordwesten. Koper van het
land was Jacob Kastricum uit Terdiek. Hij betaalde er 120 gulden voor.
Ook
op 6 mei
1726 werd weer een stuk land uit de erfenis van Cornelis Cramer
verkocht. Dit keer waren de verkopers alle drie de kinderen samen. Het nu
verkochte land was weiland genaamd d'twisscher weijd gelegen in Niedorp binnen
't pad, groot 8 geerzen en 8 snees belend de kinderen van Cornelis Mosch ten
oosten en Dirk Cramer c.s. ten westen. Koper voor 1.152 gulden en 13 stuivers
werd Jacob Corn. Wiel die blijkbaar contant betaalde.
Aankoop van een meelmolen De
verkoopopbrengsten uit de erfenis van Cornelis Cramer kon Jan waarschijnlijk
goed gebruiken voor de volgende grote aankoop die hij deed. Op 9 mei 1726 kocht
hij namelijk de korenmolen met toebehoren van het plaatsje Winkel waar hij al
woonde en het bijbehorende huis en erf. Dit alles was gelegen in de Bosstraat.
De omschrijving was: ten
noordwesten van de bosch, ten westen van de vaart en ten oosten van de Heerewegh. De
verkopers van deze molen waren Hillebrant Pietersz. en Cornelis Pietersz.
meelmolenaars uit Warmenhuizen. Deze hadden de molen nog maar kort daarvoor zelf
gekocht. Jan Reijersz. kocht deze korenmolen met huis voor 4.400 gulden, te
betalen 1.200 gulden meteen en daarna jaarlijks op 1 mei 200 gulden totdat de
gehele koopsom afbetaald zou zijn. Het maalloon bedroeg: 5
stuivers per zak tarwe; 2
½ stuiver per zak rogge; 3
stuivers per zak haver of koren. De
verkoper Hillebrant Pietersz. was dezelfde als degene die jaarlijks 200 gulden
verschuldigd was aan de vader van Jan vanwege de koop van de korenmolen van
Warmenhuizen in 1717.
Testament In
januari 1727 blijkt Maartje ziek te zijn. Op 17
januari 's morgens om 11 uur kwam de notaris uit Nieuwe Niedorp langs
bij Jan en Maartje in Winkel. Blijkbaar ging het al weer wat beter met Maartje
want de woorden "ziek te bed liggende" waren doorgestreept en
gewijzigd in "ziekelijk in haar stoel zittende". Jan was gezond
volgens het testament. De inhoud van het testament was als volgt: De vader van Jan (Reijer Pietersz) zou alleen z'n legitieme portie erven van Jan. De zus van Maartje (Trijntje) zou de kleren van Maartje erven, behalve haar groene wollen "bombazijen Jak met een wit zijde damaste rijglijf", want die was voor haar mans zus Maartje Reijers bestemd. Verder legateerde zij aan Neeltje Jacobs, de dochter van haar genoemde zus, haar zilveren tuig en kniptas. Jan Reijersz zou dit dan moeten bewaren totdat Neeltje Jacobs de leeftijd van 15 jaar zou hebben bereikt. Alle overige goederen zouden, als er geen kinderen uit hun huwelijk zouden achterblijven, worden geërfd door de langstlevende partner. Nadat ook de langstlevende partner zou zijn overleden, moest de erfenis die er op dat moment eventueel nog overbleef door de vrienden en erfgenamen van zowel Jan als Maartje ieder voor de helft worden verdeeld.
Familie en gezin De
vader van Jan was met Pinkster 1737 (9 juni neem ik aan) overleden. Op 23
november 1742 ging Jan samen met de andere erfgenamen naar de notaris in Nieuwe
Niedorp om te vertellen hoe de erfenis was verdeeld. Dit op verzoek van de
voogden van de kinderen van Jacob Reijersz, de overleden broer van Jan. De
erfenis van 1.800 gulden contant geld was op de dag van de begrafenis van Reijer
Pietersz verdeeld onder de erfgenamen, waarbij verrekend werd datgene wat ieder
al had ontvangen tijdens het leven van hun vader. De afbetalingen die ontvangen
werden met betrekking tot de verkochte molens in Schagen en Warmenhuizen werden
daarna jaarlijks verdeeld, ieder 1/6e deel.
De
man van Trijntje Cornelis Cramer (Jacob Kieft) overleed omstreeks die tijd .
Trijntje hertrouwde op 11 juni 1730 in Nieuwe Niedorp (Rooms Katholiek in 't
Velt) met Jacob Jansz die niet eerder getrouwd was geweest. Ook
de broer van Maartje ging trouwen. Zijn eerdere vrouw Geertje Dirks was
overleden en Dirk hertrouwde op 20 september 1733 met Trijntje Pieters. In de periode tot 1730 werd de oudste zoon van Jan en Maartje geboren. Hij kreeg de voornaam Reijer. Ook zijn in die periode twee kinderen van Jan Reijersz overleden. Op 11 juni 1726 doet hij aangifte van hun overlijden. Na
1730 werd er een doopboek bijgehouden door de Rooms Katholieke parochie in 't
Velt, een klein dorpje in de buurt van Winkel. Hieronder staan de kinderen,
waaronder 2 tweelingen, van Jan en Maartje die daar gedoopt waren.
De zus van Jan uit Schagen, Lijsbeth Reijers overleed op 22 mei 1738 in Schagen. De andere zus van Jan die ook uit Schagen kwam, Maartje Reijers, was in september 1740 weduwe geworden van Poulus Dirksz Clomp. Zij hertrouwde met Cornelis Claasz Wit uit Nieuwe Niedorp. Ook hij was eerder getrouwd geweest. Het huwelijk vond plaats op 15 juli 1742 in de Rooms Katholieke parochie van 't Velt. Jan verkocht samen met z'n zwager Hendrik Snekes op 9 oktober 1742 een stukje land in Winkel. Hij deed dit als voogd over de minderjarige weeskinderen van z'n overleden broer Jacob Reijersz.
Financiële problemen Het
lijkt dat het allemaal voor de wind ging met Jan en Maartje. Economisch gezien werd
het echter steeds minder. De Gouden Eeuw was voorbij en de veepest had z'n
sporen nagelaten in Holland. In 1738 blijkt Jan schulden te hebben bij een
gewezen zeilmaker genaamd Jesse Potter uit Kolhorn. Het ging om een bedrag van
34 gulden en 19 stuivers voor op 2 september 1735 geleverde zeilen, touw en
arbeidsloon. Jan moest op 11 maart 1738 bij de schepenen komen en hij bekende daar
dat hij het bedrag schuldig was. In overleg met de schepenen moest Jan een bedrag
van 30 gulden en 10 stuivers en ook de helft van de kosten meteen betalen. Op
2 september 1738 claimde
Jan als een van de crediteuren van de erfenis van een echtpaar een bedrag van 2
gulden en 2 stuivers voor het malen van 14 zakken koren in 1737. Het maalloon
van 3 stuivers per zak koren was dus nog niet gewijzigd vergeleken met 1726 toen
Jan de molen kocht. Hij kreeg uiteindelijk maar een bedrag van 15 stuivers en 12
penningen, iets meer dan een derde van z'n vordering. De
belasting die Jan voor z'n huis en molen moest betalen werd in 1733 wel
verlaagd. Van 25 gulden naar 12 gulden en 10 stuivers. Ik neem aan dat dit
jaarlijkse bedragen waren. De huurwaarde van z'n huis werd daarbij vastgesteld
op 10 gulden en 17 stuivers, en de huurwaarde van de molen op 150 gulden.
Met de afbetaling van de gekochte molen en het huis wou het ook niet lukken. Jan was in 1742 nog een bedrag van 1.000 gulden schuldig aan de verkopers. En dat terwijl in dat jaar de molen eigenlijk geheel afbetaald had moeten zijn. Met de weduwe van Cornelis Pietersz, genaamd Anna Jans Hilles uit Warmenhuizen, aan wie Jan de schuld moest betalen, kwam hij op 3 september 1742 het volgende overeen: Jan zou het bedrag van 1.000 gulden lenen van Anna Jans en daarbij gedurende 10 jaar lang elk jaar 100 gulden aflossen. Er moest nu ook rente betaald worden en wel 3% per jaar. Als Jan sneller wilde aflossen was dat toegestaan, en als het langer duurde dan moest hij de 3% rente blijven betalen en kon Anna Jans, met een waarschuwing van 3 maanden vooraf, eisen de rest van de lening meteen te voldoen.
Belasting op het gemaal Zoals
blijkt uit het verhaal van Reijer maertsz, de overgrootvader van Jan, werd ook
in vroeger tijden geprobeerd zo min mogelijk belasting te betalen. Blijkbaar was
dat halverwege de 18e eeuw niet anders. Het waren economisch moeilijke tijden,
dus misschien was het juist wel actueler dan daarvoor. In 1751 blijkt uit
een notariële akte dat er een "toesiender" op de meelmolen was in
Winkel. Deze kreeg z'n salaris hiervoor van de overheid. Mogelijk moest die
controleren of het goed ging met de betaling van de belasting op het gemaal.
Half augustus was Pieter Koeman op het land aan het werk, en tijdens de
schafttijden ging hij dan naar de meelmolen om daar te kijken. Getuigen
verklaarden dat de molen wel aan het malen was op het moment dat gemelde Pieter
Koeman aan het werk was. Blijkbaar waren deze verklaringen belangrijk genoeg om
door een notaris vast te laten leggen.
Om
ontduiking van de belasting op het gemaal te voorkomen werd m.i.v. 1 januari
1750 door de Gecommitteerde Raden (te vergelijken met de provincie) een proef
gestart voor de duur van drie jaar. Elke meelmolenaar zou, afhankelijk van de
hoeveelheid belastingopbrengsten een douceur krijgen. De volgende voorwaarden
werden hierbij bepaald voor de meelmolenaars op het platteland:
Op
1 november 1751 ging
Jan Reijersz Molenaar vervolgens naar de notaris in Winkel. Z'n zwager Hendrik
Jansz Sneekes die schipper was in Nieuwe Niedorp, en Claas Pietersz die ook uit
Nieuwe Niedorp kwam, waren meegekomen. Zij stelden zich borg voor 500 gulden
voor het geval Jan een boete zou krijgen. Jan Reijersz zelf verklaarde in deze
akte dat hij de hiervoor beschreven voorwaarden van de Gecommitteerde Raden had
gelezen en begrepen en hij beloofde dat hij zich hieraan zou houden.
Op
5 december daaraanvolgende moest Jan opnieuw naar een notaris, dit keer in Alkmaar voor
dezelfde verklaring. Bijna alle meelmolenaars uit de hele regio waren gekomen om
dezelfde akte te ondertekenen. De zoon van Jan (Pieter Jansz), was ook
meegekomen. Hij tekende als knecht van z'n vader.
Over
het jaar 1750 kreeg Jan een douceur van 80 gulden. Ook in de jaren daarna kreeg
hij een dergelijk bedrag, soms wat hoger en soms wat lager. Blijkbaar was de
proef die drie jaar zou duren verlengd, want ook na 1752 werden nog douceurs
uitgekeerd. Hieronder
volgt een overzicht van het douceur wat Jan Reijersz Molenaar kreeg:
In
1757 kreeg Jan dus geen douceur. De vraag is natuurlijk waarom niet. Er is mij
geen zaak bekend dat hij van fraude werd verdacht, of dat hij kennis had van de
fraude van iemand anders. In de jaren erna kreeg Jan wel weer een jaarlijks
douceur. Over
het jaar 1761 is zelfs een specificatie bekend hoe het douceur voor Jan was
berekend. Hij had dat jaar 244 zakken tarwe en 636 zakken rogge gemalen (erbij
staat nog "497 gequotiseerde"). De belastingopbrengst hierover was
1.459 gulden 8 stuivers en 4 penningen. Volgens het besluit van de
Gecommitteerde Raden van 28 november 1755 was het douceur voor de molenaar 40
gulden over de eerste 900 gulden, 10 procent over de volgende 300 gulden is 30
gulden, en 20% over de volgende 300 gulden. Boven de 1.500 gulden werd 30
procent uitgekeerd. Het
douceur over 1761 voor Jan was dus 40 gulden plus 30 gulden plus 20% van 259
gulden, 8 stuivers en 4 penningen = 40 gulden + 30 gulden + 51 gulden, 17
stuivers en 10 penningen.
Familie Maarten
Reijersz Molenaar, de broer van Jan ging op 3 december 1752 trouwen in Jisp. Z'n
eerste vrouw (Trijntje Cornelis) was overleden, en nu hertrouwde Maarten met
Trijntje Pieters uit Boekel (bij Alkmaar). Niet lang daarna is Maarten zelf
overleden. Op 31 december 1754 werd o.a. Jan Reijersz Molenaar aangesteld als
voogd over de twee nog minderjarige kinderen van Maarten. Op 3 januari 1755 werd aangifte gedaan van het overlijden van Maarten.
Financiële problemen (vervolg) Voor
Jan Reijersz Molenaar werd het steeds moeilijker om de eindjes financieel aan
elkaar te knopen. Hij had een gezin met minimaal 6 kinderen, en ook de molen
moest onderhouden worden. Op een dag in 1758 vroeg Jan tijdens een "Regtdag"
bij de gemeente om verhoging van het maalloon. Niet
lang daarna, op 9 december 1758 werd dit besproken tijdens de vergadering van de
"vroedschappen" (Raadsleden). Na uitvoerige beraadslagingen kwam de
Raad tot de conclusie dat zij het maalloon niet wilden verhogen. Wel wilden zij
dat de gemeente zou proberen de molen van Jan Reijersz te kopen op voorwaarde
dat Jan de molen dan zou bemalen tegen een vast jaarlijks salaris. De
burgemeesters kregen de opdracht van de Raad om dit te proberen, en om zo te
voorkomen dat iemand anders de molen zou kopen en de molen misschien zou worden
afgebroken, net als met andere korenmolens op het platteland al was gebeurd.
Jan
wou waarschijnlijk liever zelfstandig blijven en de molen niet verkopen, want in
de jaren daarna bleef hij eigenaar van de molen. Aan
afbetaling van de 1.000 gulden hypotheek op de molen kwam hij echter niet toe,
en ook met de rentebetalingen liep hij op achter. De molen raakte in verval want
ook voor het onderhoud was geen geld.
In
1767 rook de gemeente Winkel z'n kans om Jan meer onder druk te kunnen zetten.
De gemeente had gehoord dat Anna Jans uit Warmenhuizen, de vordering van 1.000
op Jan Reijersz Molenaar wel wou verkopen. Tijdens de vergadering van
Burgemeester en schepenen op 6 januari 1767 werd dit besproken. Na uitvoerig
overleg werd besloten te proberen deze vordering ten behoeve van het dorp te
kopen voor ongeveer 600 gulden. Dit lukte niet lang daarna. Reeds op 10 januari
van dat jaar werd de vordering op Jan voor 600 gulden gekocht. Met de
rentebetaling was Jan bijna 10 jaar op achter (achterstallige rente vanaf 3
september 1758)
Overlijden van Jan Het
vervolg heeft Jan niet meer meegemaakt, want op 27 april 1769 deed Sijmon Jansz
Molenaar aangifte van het overlijden van z'n vader Jan Reijersz Molenaar. Z'n
weduwe Maartje Cornelis Cramer moest daarna weer 2 borgen zien te vinden tot
zekerheid voor de betaling van een eventuele boete mocht zij of haar knecht
worden betrapt op fraude bij de molen. Die borgen werden haar tante-zegger
Pieter Hendriksz Sneekes en haar schoonzoon Sijvert Tijsz. Deze gingen op 21
oktober 1769 hiervoor naar de notaris.
Op
13 juli 1770 kwamen de schout en schepenen op de korenmolen om 8 zakken tarwe te
verzegelen. Dit op verzoek van de bakkers van wie de zakken waren. Drie dagen
later, op 16 juli kwamen ze weer terug bij de molen om de verzegeling op
verzoek van de bakkers te verbreken. De reden van de verzegeling is me niet
bekend.
Namens
de gemeente Winkel kwam de gerechtsbode op 28
september 1770 langs bij het huis van Maartje Cornelis Cramer om te
praten over de hypotheek van 1.000 gulden. Eigenlijk viel er niet veel te
praten. Maartje had geen keus, ze moest het geld nu binnen drie maanden geheel
aflossen inclusief de achterstallige rente. Het antwoord van Maartje aan de
gerechtbode was dat ze eerst een man of twee moest zoeken die voor haar konden
spreken.
Verkoop en sloop van de molen Op
29 december 1770 werd de molen weer besproken in de vergadering van de
vroedschappen. De molen blijkt ernstig in verval te zijn. Keurmeesters uit
Alkmaar hadden de molen bezocht en geconcludeerd dat de molen niet in staat was
om goed meel te kunnen malen. De bakkers hadden inmiddels toestemming gekregen
om hun meel op andere plaatsen te laten malen. Omdat dit ook feitelijk gebeurde
werd geconstateerd dat de gemeente geen profijt had van de molen in Winkel.
Maartje Cornelis Cramer en haar kinderen hadden inmiddels besloten dat ze de
molen wel wilden verkopen. De gemeente zou de molen dan kunnen kopen middels
verrekening van de schulden, en het geven van een douceurtje. De Vroetschappen
besloten unaniem om de molen van Maartje te kopen om zodoende het totale verval
van de molen te voorkomen. Op
4 januari 1771 was de verkoop een feit, en kwam er een einde aan een tijdperk in
de familie. Een tijdperk waarin het beroep molenaar van generatie op generatie
in de familie bleef. Wat rest is de familienaam Molenaar, want die is gebleven
tot op de dag van vandaag. In
de transportakte werd de hele familie zoals die er op dat moment uitzag
opgenoemd:
De
schulden werden verrekend. Dat was 1.000 gulden hoofdsom plus achterstallige
rente ter hoogte van 360 gulden, overname van andere schulden tot een bedrag van
75 gulden en achterstallige belasting van 80 gulden. Samen dus
1.515 gulden aan schulden. Aan contant geld kregen Maartje en haar
kinderen nog 130 gulden zodat de koopsom van de molen, het huis en een erf van 6
snees groot uitkwam op 1.645 gulden.
Vervolgens
gingen twee "molenbazen" de molen bekijken en kwamen tot de conclusie dat
de reparatiekosten van de molen zo hoog waren dat het beter was de molen te slopen en
een nieuwe te bouwen. De vroedschappen besloten op 7 februari 1771 (26 stemmen
voor en 2 tegen) om de molen te slopen en een nieuwe achtkantige molen daarvoor
in de plaats te laten bouwen. Op
20 juli 1771 besloten ze om alvorens de nieuw gebouwde meelmolen te verhuren om
het maalloon te verhogen omdat het maalloon van dat moment te laag was om een goede
mulder te onderhouden....Nu kon het dus wel.
Meer over de korenmolen van Winkel valt elders op deze site te lezen, door op onderstaande link te klikken:
Overlijden van Maartje Op 9 april 1776 deed Sijmon aangifte van het overlijden van z'n moeder Maartje Cornelis Cramer. De inboedel en meubelen werden daarna op 24 april verkocht voor ruim 151 gulden.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|