![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Claas Vrericksz & Neeltje Jans
Overige gegevens Claes Frericksz woonde in Krabbendam en werd in 1691 genoemd als voogd over Jan Adriaensz Hertendorp, de zoon van Adriaen Joosten en Sijbrig Jans (laatstgenoemde was een zus van Rens Jansz en dochter van Hilgont Willems).
Op 14 januari 1692 leende Claes Frericksz als bekende van Cornelis Claesz (nagelaten weeskind van Claes Jacobsz Backer en Maartje Cornelis) een bedrag van 320 gulden van Jan Adriaansz Hertendorp. Het geld diende ter aflossing van de schulden van het weeskind aan de kinderen van Maartje Cornelis (120 gulden) en Harck Dircksz (200 gulden). Namens het weeskind verbond Claes Frericksz het onverdeelde vijfde deel in een stuk land bij Krabbendam genaamd De Kale Weijt en de Plaet Ven, samen groot 12,5 geerzen groot, en een vijfde deel in een stuk Reeckerland. Deze landerijen waren in eigendom samen met de ooms en tantes van het kind. Vermoedelijk was Claes Frericksz dus een oom van het weeskind.
In 1695 komen Claes Frericksz en Maertje Jacobs als weduwe van Cornelis Cornelisz Groot tot een overeenkomst over de erfenis van genoemde Cornelis Cornelisz Groot. Claes Frericksz trad op namens zichzelf en de verdere vrienden van de kinderen van Cornelis. Een jaar later werd een soortgelijke overeenkomst opgesteld. Claes Frericksz wordt nu samen met Cornelis Lourisz genoemd als bloedvrienden (familie?) van de kinderen van Cornelis Cornelisz Groot en Maertje Jacobs.
Op 10 november 1696 kocht Claes van Neeltje Hoogermolen uit Alkmaar een stuk land genaamd de Hooge Ven. Dit land was 7 geerzen groot. Claes kocht ook de helft van de Depters Ven van haar. Deze helft was ruim 3 geerzen groot en lag ten noorden van genoemde Hooge Ven. De andere helft van Depters Ven was van de erfgenamen Grootsant.
Neeltje Cornelis 'bejaerde dogter', wonende te Schagen, en Cornelis Claesz, wonende te Krabbendam verkochten op 6 oktober 1699 land aan hun zwager en oom Claes Frericksz. De koopsom was 1.050 gulden. Het betrof hun aandeel in De Kale Weijt en de Plaet, en daarnaast de 16e Reecker. Dit land was gekomen uit de erfenis van Cornelis Cornelisz Groot. Een deel was al van Claes Frericksz en een andere deeleigenaar was Pieter Cornelisz Groot.
Op 18 maart 1704 eisen de weesmeesters dat Claas Frederickz voogd wordt van het weeskind van Geurtje Thijs. De voogdij wordt "bij Palmslagh" van de officier aanvaard. (palmslag: gebaar waarbij men elkaar in de palm van de hand slaat ter bezegeling van een overeenkomst)
In 1708 blijken in Krabbendam zowel Claas Frericksz als zijn vrouw Neeltje Jans te zijn overleden. Vier van de kinderen zijn nog minderjarig en krijgen als voogden hun aangehuwde ooms Sijmon Joosten uit Koedijk en Jacob Pietersz Waagmaker uit Groet. Ook Jan Gerretsz Perfeckt en Cornelis Claasz Backer werden voogd. Zij kwamen met Pieter Cornelisz Coningh, die net met dochter Aafje Claes was getrouwd, overeen dat hij zijn vijfde deel van de erfenis al zou krijgen. De rest van de erfenis bleef gemeenschappelijk van de overige 4 kinderen die nog in het ouderlijk huis woonden. De erfenis van Pieter bestond uit: - een stuk groedland te Warmenhuizen groot 3 geerzen en 10 snees (ongeveer 1 hectare); - een akker zaadland te Schoorl van 120 roeden groot, belend de Watering ten oosten en de Beurtwegh ten westen; - een akkertje zaadland te Groet van 48 roeden belend Jacob Pietersz Wagemaker ten zuiden en de Heerewegh ten noorden; - een akkertje zaadland te Groet van 38 roeden belend Jacob Pietersz Wagemaker ten zuiden en de Heerewegh ten noorden; - drie kalveren, een hokelingh en een zeug - hun aandeel in het huis en erf te Krabbendam (60 gulden verrekend met een koe die Pieter heeft gekocht) - voor de wagen, paard en vlonder houden Pieter en Aafje nog 20 gulden tegoed van de overige erfgenamen - een vijfde deel in de huisraad, imboedel en boere-gereedschap (nog te verdelen) - nog te betalen aan de overige erfgenamen 4/5e deel van 33 gulden vanwege een koe die Pieter heeft gekocht - nog te betalen aan de overige erfgenamen een bedrag van 40 gulden voor de bruiloftskosten van Pieter zijn vrouw. - idem een bedrag van 6 gulden om een jack voor Maartje Claas (zus van Aafje) te kopen.
In 1718 werd ook de rest van de erfenis verdeeld.
Jan Claasz Bruijn erfde een stuk zaadland genaamd de Duijnweijd groot 5 geerzen en 9 snees, gelegen te Schoorl, belend Pieter Grootsant ten zuiden en Cornelis Adriaansz Grootsant ten noorden.
Anna Claas erfde een gedeelte van het stuk grasland genaamd de Plaet of Kaleweijd. Dit gedeelte was ruim 6 geerzen groot. De rest van dit stuk land was eigendom van de erfgenamen van Pieter Cornelisz Groodt. De belending was Adriaan Michielsz ten zuiden, en Hoogeboom erve ten noorden. Ook erfde Anna 3/4e deel in een stuk grasland te Warmenhuizen genaamd de Sesthiende Reecker. Dit gedeelte was ruim 3 geerzen groot en belend Jan Oom ten zuiden en Adriaan Michielsz ten noorden.
Maartje Claes en haar zwager Ide Idesz Min uit Bergen (ieder de helft) erfden een stuk land genaamd de Wester Waal of Kaij met het Schape Weijtie te Warmenhuizen. Het was ruim 4 geerzen groot en belend Jan Hertendorps erve ten zuiden en het dorpsland van Warmenhuizen ten noorden. Ook erfden zij de Hoogeven van bijna 7 geerzen groot. Dit land was gelegen te Warmenhuizen, belend Cornelis Groodtsant ten noorden en Pieter Haerlem ten zuiden. Verder erfden zij een stuk land genaamd Deppersven, gelegen te Warmenhuizen, groot ruim 3 geerzen en belend het dorpsland ten oosten en Adriaan Michielsz (als gebruiker) ten westen.
Het huis en erf te Krabbendam bleef eigendom van de ongetrouwde erfgenamen. Zij moesten dan wel 75 gulden betalen aan elke getrouwde erfgenaam. De huisraad, koe- en boeregereedschap, paard, schapen etc. is door de erfgenamen onderling verdeeld.
|
|||||
|
|