![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Pieter Cornelisz Coningh alias Haarlem alias Heesjes & Aafje Klaas
De familienaam Maar liefst drie familienamen zijn bekend voor Pieter. De redenen zijn me nog niet helemaal duidelijk. De feiten: Pieter werd vaak Pieter Cornelisz Haerlem genoemd, maar ook vaak Pieter Cornelisz Heesjes. Een keer werd hij Hesis genoemd. De naam Hesis komt in de 17e eeuw regelmatig voor in Warmenhuizen, o.a. bij personen burgemeester van het dorp waren. Of dat familie is van Pieter weet ik niet. Pieter huurde in 1716 en 1717 land van zijn moeder met de naam Haarlemerland. De kleinkinderen van Pieter werden meestal "Haarlem alias Heesjes" genoemd. Pieter ondertekende met de naam Pieter Cornelisz Coninch. Zijn vader Cornelis werd soms Coningh en soms Haarlem genoemd, en ook hij ondertekende met Koninck. In 1734 vond in Warmenhuizen het huwelijk plaats van Pieter Cornelisz Koningh uit de Schermer. Dit was iemand anders met dezelfde naam.
Onroerend goed en andere eigendommen In 1708, Pieter en Aafje waren pas getrouwd, ontvingen zij een erfenis na het overlijden van de vader van Aafje. Deze erfenis bestond uit de volgende goederen: - een stuk groedland te Warmenhuizen groot 3 geerzen en 10 snees (ongeveer 1 hectare) - een akker zaadland te Schoorl van 120 roeden groot - twee akkertjes zaadland te Groet van 48 en 38 roeden - drie kalveren, een hokelingh en een zeug - hun aandeel in het huis en erf te Krabbendam (60 gulden verrekend met een koe die Pieter heeft gekocht) - voor de wagen, paard en vlonder houden Pieter en Aafje nog 20 gulden tegoed van de overige erfgenamen - een vijfde deel in de huisraad, imboedel en boere-gereedschap (nog te verdelen) - nog te betalen aan de overige erfgenamen 4/5e deel van 33 gulden vanwege een koe die Pieter heeft gekocht - nog te betalen aan de overige erfgenamen een bedrag van 40 gulden voor de bruiloftskosten van Pieter zijn vrouw. - idem een bedrag van 6 gulden om een jack voor Maartje Claas (zus van Aafje) te kopen. De andere erfgenamen waren op dat moment nog minderjarig en bleven in het huis in Krabbendam wonen.
In 1713 kocht Pieter een huis en erf op het Buurtje in Warmenhuizen. De belending van het huis was Pieter Strooper ten oosten, Poulus Willemsz Beur ten zuiden, de Heerevaart ten westen en Cornelis Kos ten noorden. De koopsom van 360 gulden betaalde hij voor de helft meteen, een vierde deel zou hij op 1 mei 1714 betalen, en het resterende vierde deel op 1 mei 1715.
Op 11 april 1716 werd de erfenis van de vader van Pieter verdeeld bij notaris Cornelis Coningh te Warmenhuizen. Helaas is de akte niet bewaard gebleven. Op 2 mei van dat jaar leent Pieter een bedrag van 200 gulden van zijn moeder Aaltje Jans. De rente is 3,5% en tot zekerheid verbind hij zijn in 1713 gekochte huis op het Buurtje.
In 1718 werd de erfenis van de ouders van Aafje verdeeld. Pieter en Aafje deelden niet mee omdat zij hun deel al eerder hadden ontvangen.
De erfenis van Pieter zijn moeder werd in 1719 verdeeld. Voor Pieter was dat: - verrekening van de schuld aan zijn moeder van 200 gulden en de nog openstaande rente van 24 gulden en 10 stuivers; - verrekening van diverse bedragen die Pieter al eerder had ontvangen tot een totaalbedrag van 493 gulden; - verrekening van de huur van de Haarlemerweid over 1716 en 1717 (65 gulden) - verrekening van restant huur van land genaamd De Spiegel over 1716 (15 gulden en 8 stuivers) - een zak rogge ontvangen (3 gulden) - nog te ontvangen van zijn zwager i.v.m. de halve Focke Ven (59 gulden en 13 stuivers) Totaal bedroeg de erfenis voor Pieter dus 860 gulden en 11 stuivers. Een bedrag van 344 gulden werd nog niet verdeeld. Pieter zijn aandeel hierin was 86 gulden (een vierde deel).
Financieel ging het blijkbaar niet zo goed met Pieter en Aafje. Zij waren hierin niet de enigen. Mogelijk had dit te maken met de veepest die het land teisterde vanaf 1713. Ze hadden in 1724 een achterstand met de betaling van de belasting over hun huis en landerijen. Om dit te verrekenen verkocht Pieter zes melk koeien en 2 hoockelingen aan het dorp. De laatste termijn van hun in 1713 gekochte huis hadden zij ook nog steeds niet betaald. Dat ging om een bedrag van 90 gulden en rente vanaf 1 mei 1715. Op 3 augustus 1724 bekende Pieter het bedrag nog schuldig te zijn en hij vroeg uitstel tot 1 mei 1725. Hij kreeg het uitstel, maar op 1 november 1725 blijkt hij nog steeds niet betaald te hebben.
|
|||||
|
|