![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Pieter Jansz Opdam & Guurtje Jacobse Oldenburg
Pieter was eigenaar van een huis en landerijen in de Egmondermeer en Castricum. Hij had dit geërfd in 1794 van zijn grootouders Cornelis Klaasz Stet en Maartje Kluite. In 1813 leende hij 1.000 gulden van Cornelis Abbring, een wijnkoper uit Alkmaar. Pieter woonde zelf in Wimmenum, een dorp tussen Bergen en Egmond aan den Hoef. Uiterlijk 23 maart 1816 moest hij het bedrag geheel aflossen, en tot die tijd bedroeg de rente 5% per jaar. Tot zekerheid verbond hij het genoemde huis en landerijen welke als volgt werden omschreven: 1. een huis en 24 hectare, 61 are en 49 centiare (26 morgen, 189 roede) land in de Egmondermeer, gemeente Alkmaar belend (volgens de laatste transportbrief) met Pieter Schagen ten oosten en westen, de Wagen- of Meerweg ten zuiden, en de Molentogt aan de Groeneweg ten noorden. 2. twee stukken land gelegen in Castricum in Alidenkamp, elk groot 1 hectare 68 are en 3 centiare (1 morgen 260 roede) 3. een ander stuk land gelegen in Castricum genaamd de Hesselkamp, groot 2 hectare 33 are en 87 centiare (2 morgen 394 roede).
Het huis en land in de Egmondermeer verkocht Pieter in 1818 aan Maurits Cornelisz. Op 28 augustus 1818 werd dit vastgelegd in een onderhandse akte. Deze akte bleek echter onvolledig en onnauwkeurig te zijn, dus op 11 december daaraanvolgende gingen Pieter en Maurits naar de notaris in Alkmaar om de zaken te verduidelijken. Het verkochte perceel bestond uit: 1. een huismanswoning en erf in de Egmondermeer, gemeente Alkmaar, het huis had nummer 11 De volgende stukken land, allen in de Egmondermeer te Alkmaar: 2. een stuk nieuwland groot 4 morgen en 47 roeden, zijnde het achtste stuk in het zesde blok, ten westen van de Bierkade 3. een stuk nieuwland groot 3 morgen en 142 roeden, zijnde het negende stuk in hetzelfde blok 4. een stuk nieuwland groot 3 morgen en 258 roeden, zijnde het tiende stuk in hetzelfde blok 5. een stuk nieuwland groot 4 morgen en 156 roeden en 11 voeten, zijnde het elfde stuk in hetzelfde blok 6. een stuk nieuwland groot 4 morgen en 208 roeden en 10 voeten, zijnde het twaalfde stuk in hetzelfde blok 7. een stuk nieuwland groot 2 morgen, zijnde het dertiende stuk in hetzelfde blok 8. een stuk nieuwland groot 3 morgen en 257 roeden, zijnde het veertiende stuk in hetzelfde blok De koper zou op 1 januari 1819 in het bezit komen van het land en op 1 mei 1819 van het huis. De koopsom was 3.600 gulden, hiervan was 1.000 al voldaan. Op 23 maart 1819 zou de koper de obligatie van 1.000 gulden aflossen met de rente aan Cornelis Abbring. Op 25 december 1824 zou de koper 1.000 gulden betalen aan de verkoper, en op 25 december 1829 het restant van 600 gulden. Over de laatste 2 termijnen van in totaal 1.600 gulden moest de koper 5% rente per jaar betalen. De verkoper (Pieter) moet op 1 mei 1819 de mest van 17 koeien en 2 hokkelingen achterlaten die op dat moment op het erf zou zijn, en als hij zich daar niet aan hield ging er 200 gulden van de koopsom af.
|
|||||
|
|