![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Klaas Cornelisz Mul & Aafje Jans Haarlem alias Heesjes
Klaas Cornelisz Mul & Neeltje Cornelis Ruijn alias Dekker (getrouwd 17 februari 1784 te Warmenhuizen)
Testament Op 29 oktober 1773 gingen Aafje en Klaas naar de notaris in Alkmaar om hun testament op te laten maken. Zij woonden op dat moment aan het Ritsevoort in Alkmaar. Het was een testament op de langstlevende.
Erfenissen en onroerend goed Na het overlijden van de moeder van Aafje in 1767 werden tot voogden over de toen nog minderjarige Aafje benoemd Aarjen Glas en Jan Strooper. Aafje erfde wat landerijen en een bedrag van 573 gulden. Haar vader bewaarde het contante geld voor haar. De landerijen, gelegen te Warmenhuizen, waren genaamd Schierige Ven, De Blomven, en Gelde Horn.
Nadat Aafje met Klaas Mul trouwde in 1773, verklaarde laatstgenoemde dat hij de erfenis en het contante geld had ontvangen van de voogden en de vader van Aafje. Klaas en Aafje woonden op dat moment in Oudorp. Blijkbaar was het contante geld nog niet genoeg voor Klaas, want op 6 april 1773 leende hij ook nog 300 gulden van Gerrit Sevenhuijsen uit Schoorldam. De Schierige Ven en De Blomven werden hierbij tot zekerheid verbonden. De rente bedroeg 3,5 procent per jaar. In 1780, toen Gerrit Sevenhuijsen inmiddels overleden was leende Klaas dit bedrag van de weduwe van Gerrit Sevenhuijsen.
In 1781 kwam ook de vader van Aafje te overlijden. Aafje en haar man erfden toen nog twee stukken land gelegen te Oudkarspel. Het waren een stuk weiland aan de Zijpkesloot en een akker zaadland.
Klaas en Aafje woonden vanaf ongeveer 1775 in Warmenhuizen. Op 13 november 1783 kocht Klaas een huis en erf in Warmenhuizen. Het huis stond aan de huidige Dorpsstraat op de hoek met het Zwartepad. Ook het erf aan de overkant (zuidkant) van de weg was onderdeel van de koop. De koopsom was 500 gulden. Klaas betaalde 100 gulden meteen, en voor de rest nam hij een hypotheek op het land genaamd Gelde Horn. Hij moest terugbetalen in jaarlijkse termijnen van 100 gulden.
In 1799 kwam Cornelis Dekker, de vader van de tweede vrouw van Klaas, te overlijden. De erfgenamen verklaarden dat de nalatenschap bestond uit een huis en erf te Warmenhuizen, een obligatie van 500 gulden ten laste van Cornelis Brammer en nog wat huisraad. Klaas en Neeltje moesten deze erfenis delen met Jan Cornelisz Dekker, met de zoon van Pieter Cornelisz Dekker, en met de zoon van Antje Cornelis Dekker. Het huis en erf werd op 25 maart 1801 verkocht voor 161 gulden aan Dirk van der Molen.
Cornelis Haarlem, een oom van Aafje, was in 1779 overleden. Zijn vrouw Neeltje Theunis Hogeboom overleed niet lang daarna in 1784. In hun testamenten van 1774 en 1778 werd Aafje als een van de erfgenamen benoemd. In 1784 werd de omvangrijke nalatenschap beschreven en deels verkocht. Aafje was inmiddels overleden en als voogden over haar minderjarige kinderen werden Jan Hoogtwoud en Cornelis Winter genoemd. Uiteindelijk in het jaar 1800 eiste Cornelis Mul, mede namens zijn broer en zus, zijn aandeel in deze erfenis op van zijn voogden van destijds. Deze voogden beweerden nu dat zij nooit een aanstellingsakte hadden ontvangen en dus geen voogden waren. Een jaar later starten Dirk Pool en Jan Hoogtwoud als voogden over Jan en Antje Mul een proces tegen de vader Klaas Mul. Of het iets te maken had met de erfenis van Cornelis Haarlem en Neeltje Hogeboom is mij niet duidelijk, maar het zou best kunnen. De eerste rechtdag was Klaas niet aanwezig. Op de tweede dag, twee weken later, zei Klaas "daarvan heb ik geen copie". Hij zei vervolgens niets meer en liep weg. Nadat Klaas twee weken later weer niet verscheen, kwam vervolgens op 27 april 1801 de uitspraak. Klaas moest het bedrag van 800 gulden dat hij van Dirk Pool ontvangen had aan de voogden geven en de kosten betalen. Het vervolg van deze uitspraak was dat Klaas Mul op 16 juni 1801 in Alkmaar zijn handtekening zette (moest zetten?) onder een notariële akte. In deze akte gaf hij toestemming aan een advocaat en een notaris om namens hem zijn landerijen te verkopen en uit de opbrengst de inhoud van het vonnis van 27 april 1801 te voldoen. Ook een door Klaas Mul getekende promesse gedateerd 17 april 1786 moest voldaan worden. Dit betrof een bedrag van 830 gulden. De te verkopen landerijen waren: De
Zuidehorn, groot 2 gars en 6 sneesen De
Gelde Horn, groot 11 geersen en 2 sneesen De
Schierigh Koogh groot 7 geersen 6 sneesen (bedoeld werd de Schierige
Ven) De Blomven groot 5 geersen 10 roeden Op een openbare veiling in de Roode Leeuw te Warmenhuizen vond op 29 juni 1801 de verkoop plaats. De kastelein van de Roode Leeuw was Pieter Vlam. De Zuidehorn werd voor 161 gulden verkocht aan Jacob Quant. De Schierige Koogh werd voor 828 gulden verkocht aan Teeuwis Pronk. De Blomven werd voor 347 gulden verkocht aan Lourens Maas. De Gelde Horn zou verkocht zijn voor 903 gulden, maar dit is waarschijnlijk niet doorgegaan. De naam van de koper is niet ingevuld en de akte is doorgehaald. Een jaar later werd deze akker alsnog verkocht aan Jan Mul voor 903 gulden.
Van het in 1781 geërfde land in Oudkarspel verkocht Klaas in 1812 een stuk weiland aan Pieter Weel, een metselaar uit Harenkarspel. Klaas verklaarde dat hij dit land geërfd had van Jan Haarlem maar dat de eigendomsbewijzen in het ongerede waren geraakt. Het land was 1 hectare 22 are en 3 centiare (4 geerzen 2 sneezen) en de koopsom was 231 francs.
|
|||||
|
|