![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Jacob Jansz Tames (±1585 - ±1666)
Inleiding Jacob Jansz Tames is mijn oudst bekende voorouder in mannelijke linie. Zijn kleinzoon zou later de eerste Molenaar worden. Omstreeks 1585 is Jacob geboren. Dat weet ik op basis van de leeftijd die hij meekreeg op een bepaald moment.
Landerijen In 1628
komen we Jacob voor het eerst tegen in de archieven. Hij kocht een stuk
land met de naam Rijckweer. Op 20 april is de koopakte ingeschreven in het
transportregister van Zuid-Schermer. De
omschrijving van het land was: een
stuk land genaamd Rijckweer, groot 2 achl. en 15 metjes, gelegen ten noorden van
Pieter Wouters, en ten zuiden van de weduwe van Cornelis Cornelisz Colleman. Jacob
kocht eigenlijk de helft van dit stuk land van z'n zwager Gerrit Nielen. Later
zou het geheel op naam van Jacob staan, dus mogelijk hadden Gerrit en Jacob
ieder de helft geërft en kocht Jacob nu het deel wat hij nog niet had.
De
maten die voor land gebruikt werden op het Schermereiland in die tijd zijn me
nog niet helemaal duidelijk. De aantekeningen die ik hierover heb zijn als
volgt: 1
Zijper of Schermer morgen = 0,8516 Hectare,
1,5 mat of dijns = 1 morgen. 6 achte = 1 mat. 1 achte = 4 vierling. 1 vierling=4
metjes. Op basis van deze aantekeningen is 2 achlen en 15 metjes gelijk aan
2.780 m2. Ik durf echter (nog) niet te beweren dat dit juist is.
Nog
een andere aankoop van land die ik gevonden heb was in 1639.
Aris Teunisz en de voogden van de weduwe en kinderen van Teunis Teunisz uit
Uitgeest verkochten diverse landerijen. Een van de stukjes land werd door Jacob
Jansz Taems gekocht. De
omschrijving van dit land was: een
hoekje land gelegen binnen dijk genaamd aenden Oostdijck, gelegen ten noorden
van Aecht Claes en ten zuiden van Heerten Cornelis. Op
23 september 1639 hadden de verkopers octrooi voor de verkoop gekregen, en het
transport is op 22 december 1639 ingeschreven bij de gemeente Zuid-Schermer, op
dat moment was dat ook de woonplaats van Jacob
In
1655 zijn alle landerijen en hun eigenaars in Zuid-Schermer beschreven. Hieruit
blijkt dat Jacob nog meer eigendommen had dan alleen de 2 aankopen die ik
gevonden heb. Hieronder
het overzicht van de landerijen van Jacob in 1655 (allen gelegen Binnendijk):
Woonhuis Ook
blijkt uit de belastingregisters dat Jacob op dat moment een huis in eigendom
had. Op
29 april 1656 wordt het huis van
Jacob als belending genoemd. Jacob woonde aan de Heerestraat naast Thijs Jacobs.
Tussen hun huizen liep een doorgang naar achteren naar het huis dat vanaf dat
moment van Dirck Meijnes was.
Haringvangst Jacob had dus een huis en wat landerijen in Zuid-Schermer. Zijn beroep was echter stuurman op de haringvangst. Op 6 juli 1647 leverde hij bijvoorbeeld in open zee een partij van 8 tonnen haring aan Huijbrecht Pieters Abbenbrouck, een haringvisser uit Maassluis. De koopsom was 64 gulden. Jacob heeft echter lang moeten wachten op dit geld. 17 jaar later spant hij alsnog een proces aan tegen de visser. Op 2 juni 1664 wordt in het dorp Graft bij de notaris uit Zuid-Schermer vastgelegd dat een koopman uit Rotterdam Jacob zal vertegenwoordigen bij dit proces. Jacob, oud 79 jaar, wordt hierbij oud-stuurman uit Zuid-Schermer genoemd. Hij zet hierbij ook zijn handtekening, letterlijk een tekening met z'n eigen hand gemaakt.
Op 18 juli 1664 komt de zaak voor in Maassluis. De visser
blijkt destijds ook voor de koop te hebben getekend. Op 1 augustus 1664 komt de
zaak opnieuw voor. Er wordt om een kopie van de eis, en waarop deze is
gebaseerd, gevraagd. Daarna komt deze zaak niet meer op de rol, dus ik vermoed
dat de koopsom alsnog voldaan is. De dorpen die op dit voormalig Schermereiland waren gelegen zijn in die tijd tot grote bloei en rijkdom gekomen dankzij de haringvangst en de walvisvaart. De schepen waarmee men op haringvangst ging, zogenaamde haringbuizen, werden bemand door zo'n 12 à 14 personen. Aan het hoofd stond de stuurman. Men ging in die tijd meestal op de Noordzee onder de kust van Engeland ter haringvangst. Op de walvisvaarders was de commandeur degene die aan het hoofd stond.
Gemeentebelastingen en verkoop huis Vanaf
1655 zijn gedetailleerde gegevens bekend over de gemeentelijke belastingen die
Jacob betaalde. Hij betaalde jaarlijks voor z'n huis, en daarnaast de
dorpskosten ("schot", "Paergelt", "breg gelt" en
"waeck gelt"). Ook
betaalde hij dijk- en molengelden en verpondingen over de 5 landerijen die hij
had. Hieronder een overzicht hiervan:
Onderdeel van bovengenoemde bedragen was tot en met 1662 een jaarlijks bedrag van 1 gulden, 6 stuivers en 4 penningen aan belasting voor z'n huis. Daarna niet meer, want Jacob verkocht z'n huis op 20 januari 1662. Ook de dorpskosten werden flink verlaagd voor Jacob, dus deze hielden waarschijnlijk ook verband met de eigendom van een huis. Vermoedelijk was z'n vrouw al overleden en is hij gaan inwonen bij een van z'n kinderen. Het huis dat hij verkocht was gelegen ten zuiden van Wouter Maartensz, en ten noorden van de doorgang naar Dirck Meijnes. Het verkochte huis had een vrije op- en afscheping ten zuiden van het huis van z'n zoon Jan Tames. Jacob verkocht z'n huis aan Thijs Pietersz uit Marken voor 283 gulden. De koper zou in 3 termijnen betalen, de 1e termijn meteen, de 2e in mei 1663 en de laatste termijn in mei 1664. Opvallend is dat de koper het huis op dezelfde dag doorverkocht aan Klaas Melles. De koopsom hierbij was iets lager, nl. 266 gulden en 10 stuivers, ook weer in dezelfde drie termijnen te betalen. Op
2 februari 1662 kochten Jacob Jansz Tames en Thijs Jacobsz voor 10 gulden een
doorgang van anderhalf voet die gelegen was tussen het huis dat inmiddels van
Klaas Melles was en het huis van Thijs Jacobsz.
Testament Op
26
februari 1665
heeft Jacob z'n testament laten vastleggen door de
notaris in Grootschermer. Vermoedelijk was dit op verzoek van z'n zoon Pieter,
want die betaalde namelijk de kosten van het testament. Jacob werd oud-stuurman
genoemd en was ongeveer 80 jaar oud. Hij
had op dat moment 3 dochters en 2 zonen te weten Sijtje, Maartje Jacobs de oude,
Maartje Jacobs de jonge, Pieter en Jan. Uit het testament blijkt dat z'n 3
dochters elk al een bedrag van 50 gulden hadden ontvangen bij de erfenis van hun
moeder. Jan had daarbij 129 gulden ontvangen, en Pieter had nog niets ontvangen.
In het testament van Jacob krijgt Pieter 129 gulden, Jan niets, en de 3 dochters
een bedrag van 79 gulden elk. Op deze manier heeft elk kind dus uiteindelijk
even veel ontvangen over de erfenis van hun moeder en hun vader samen. Mocht het
geld op zijn bij het overlijden van Jacob, dan moeten de kinderen die al iets
gehad hebben dit weer inbrengen zodat Pieter ook zijn deel kan krijgen.
Niet
lang daarna is Jacob overleden. De belastingen over 1666 stonden reeds op naam
van Jacob Jansz Tames erve. Hij was in dat jaar dus al overleden. Van
de landerijen die hij naliet kwamen 3 akkers op naam van z'n zoon Pieter te
staan. Dat waren: "Spaen", "Rijckweer" en "aen de
Oostdijck". Over
de andere landerijen heb ik geen zekerheid. In 1668 staat een stuk land met de
naam "Piter weer" met dezelfde oppervlakte als het land wat van Jacob
was geweest op naam van IJsbrant Cornelisz. Ik weet niet of die het later
gekocht heeft, of hij het geërfd heeft omdat hij misschien met een dochter van
Jacob was getrouwd, of dat dit een heel ander stuk land was met dezelfde naam en
oppervlakte. Een
stukje grond met de naam "Sijmon Koster werff" ter grootte van 1
vierling staat in het belastingkohier van 1666 bij Jacob Jansz Tames erve en in
1668 bij Jan Dirckz Schellinger. Ook hierbij heb ik meer vragen dan antwoorden.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|