![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Pieter Jacobsz Tames (±1630 - 1672)
Inleiding Pieter
en z'n latere vrouw Marij Reijers zullen ongeveer in 1630 in Grootschermer zijn
geboren. Dit is wel een ruwe inschatting, ergens halverwege de geschatte
geboortedatum van hun vaders, en de geschatte geboortedatum van hun kind. Over
de jeugd van Pieter is niet zoveel bekend. We mogen aannemen dat hij in
Grootschermer opgroeide met z'n ouders en broer(s) en zussen. Hij had in ieder
geval een broer (Jan) en 3 zussen (Maartje Jacobs de oude, Maartje Jacobs de
Jonge en Sijtje). Z'n vader was stuurman op de haringvangst en had een paar
stukjes land op het Schermereiland. Dat Schermereiland was overigens geen eiland
meer, want de naastgelegen Beemster was in 1612 al drooggemalen, en ongeveer
tijdens de jeugd van Pieter werd in 1635 de Schermer drooggemalen.
Huwelijk Wanneer
het was weet ik niet, maar Pieter ging trouwen met Marij Reijers. Zij was de
dochter van de plaatselijke meelmolenaar Reijer Maertsz. en zijn vrouw Alijt
Cornelis. Ik vermoed dat het huwelijk ongeveer in 1655 plaatsvond, dus het is
onzeker of Reijer Maertsz dit nog meegemaakt heeft, want hij overleed ongeveer
in 1654.
Brand in De Rijp Het
was rond die tijd dat zich een ramp afspeelde in het nabijgelegen De Rijp. In de
nacht van 6 op 7 januari 1654 ontstond daar een grote brand waarbij maar liefst
430 huizen en 160 pakhuizen in vlammen opgingen. De bewoners vluchten o.a. naar
Grootschermer en naar de schepen in de haven. De haringvloot bleef gespaard en
er viel uiteindelijk slechts een slachtoffer te betreuren. (NHD 26 mrt 2005)
Pieter als binnenschipper Op
4
september 1655 kocht Pieter een huis en een schuit met toebehoren
("zeijl ende treijl") van Jan Cornelis anders genaamd Jan Knechties.
Het huis was gelegen in Grootschermer en lag ten noorden van het erf van Jan
Salm en de doorgang van Trijn Ariaens en het lag ten zuiden van het noordelijke
erf van Allert Piters Noles. De schuit was vijf lasten groot (± 15 m3), en er
werd afgesproken dat de verkoper gedurende zes jaar niet met een andere schuit
mocht varen of goederen vervoeren vanaf Grootschermer. De koopsom van het huis
was 400 gulden en van de schuit 300 gulden. De totale koopsom van 700 gulden
moest Pieter in 2 termijnen betalen, de eerste termijn meteen bij de koop en de tweede termijn 12
maanden later. Daarnaast moest natuurlijk ook belasting betaald worden. De 40e
penning betaalde Pieter op 5 september en bedroeg bijna 10 gulden. Dat was
alleen voor de overdracht van het huis, dus blijkbaar niet voor de schuit.
Pieter
werd nu dus binnenschipper van beroep. Hij vervoerde waarschijnlijk goederen en
personen tussen Grootschermer en Amsterdam.
Een
notariële akte uit 1670 geeft enig inzicht in de dagelijkse werkzaamheden van
Pieter. Op
23 maart 1670 ontving Pieter Tames van een kaaskoper uit Noord-Schermer (=Schermerhorn)
een partij van 351 kazen (Hobbekaas). Deze bracht Pieter vervolgens met zijn
schuit naar Amsterdam. Daar aangekomen werden de kazen de volgende dag
aangeboden aan degene waarvoor de partij bestemd was. Deze persoon weigerde
echter de kazen in ontvangst te nemen, en tot grote ontevredenheid van de
kaaskoper heeft Pieter de kazen weer terug moeten brengen naar
Noord-Schermer. Op 23 april daaraanvolgende hebben een schepen en een
oud-schepen uit Noord-Schermer op verzoek de partij kazen in het huis van de
kaaskoper bezichtigd en geoordeeld dat deze partij leverbaar was. Op 26 april gingen Pieter en een aantal andere betrokkenen vervolgens naar de notaris
in Zuid-Schermer (=Grootschermer) om deze gebeurtenissen op papier te
laten vastleggen. De akte werd ook door Pieter Tames van een handtekening
voorzien. Een echte tekening overigens, want schrijven kon hij, net als de
meeste van zijn tijdgenoten, niet.
Vijf
jaar nadat Pieter zijn huis had gekocht kon hij ook het huis van z'n buurvrouw
kopen. Op 3
mei 1660 kocht hij het huis van Trijn Ariaens (weduwe van Jacob
Jacobsz) voor 342 gulden en 10 stuivers. De helft moest hij meteen betalen en de andere helft een jaar later. Het door Pieter gekochte huis erf en
werf lag ten oosten van de ringsloot van de Noordermeer en ten westen van het
eerder gekochte
Op
4 januari 1662 betaalde de gemeente een bedrag van 4 gulden en 16 stuivers aan
Pieter Thames. Waarvoor is niet bekend, maar vermoedelijk voor het vervoer met
de schuit van Pieter. In oktober 1664 krijgt hij ook een bedrag van de gemeente
(14 stuivers). Nu staat erbij dat het voor de boodschappen is aan de deurwaarder
van As. (ik neem aan dat met deze afkorting Amsterdam wordt bedoeld).
Landerijen Vanaf
1655 zijn er gedetailleerde gegevens bekend over landbezit en de belasting
hierover. Naast de gekochte huizen en erven had Pieter vooralsnog geen
landbezit. Hij betaalde alleen de dorpskosten bestaande uit "schot",
"paer gelt", "breg gelt" en "waeckgelt". De
totaalbedragen van een aantal belastingjaren heb ik in onderstaande overzicht
samengevat:
In 1666 moest Pieter dus flink meer belasting betalen. Dit kwam voornamelijk door de dijk- en polderlasten en de verpondingen over 3 stukjes land te weten Schapeland, Lageweijd en Kappeland. Deze 3 landerijen kwamen uit de erfenis van z'n schoonouders Reijer Maertsz. en Alijt Cornelis. Hij deelde deze eigendom (en dus ook de belastingbetaling) met de 2 kinderen van Cornelis Reijersz, een broer van z'n vrouw Marij Reijers. Waarschijnlijk werd het land door Pieter gebruikt, want hij betaalde jaarlijks de huur aan deze 2 weeskinderen. Wie de eigenaars van deze landerijen waren is een opvallende geschiedenis. Een gedeelte van de Lageweijd bijvoorbeeld werd reeds in 1629 door Reijer Maertsz gekocht. Blijkbaar was er sprake van diverse eigenaars, waarschijnlijk als gevolg van een erfenis. De vraag is of Reijer Maertsz ook een van de erfgenamen was. In de loop der jaren kocht Reijer Maertsz steeds een stukje van de Lageweijd erbij. De verkopers waren steeds verschillende personen. Na zijn overlijden werd de Lageweijd weer opgesplitst en werden 4 van z'n kinderen eigenaar, waarvan er daarna 2 overbleven (Pieter Tames en de kinderen van Cornelis Reijersz.). In 1659 verkochten de erfgenamen van Dirck Cornelisz Muller de Lageweijd (of een deel daarvan?) aan Jan Reijersz Mullener, de zwager van Pieter Tames. Een
van de kinderen van Cornelis Reijersz (Sijmon Cornelisz Molenaer die op dat
moment in Edam woonde) verkocht zijn deel in de Lageweid in april 1665 aan
Lijckel Kessels, een koopman uit de Purmer die eerder borg voor hem had gestaan.
Ook een deel van het Schapeland en Kappeland behoorden tot de koopovereenkomst. Vervolgens
kocht Pieter Tames op 5
mei 1665 deze drie landerijen weer "terug" van Lijckel Kessels,
Gezin en familie Rond
1665 heeft Pieter veel van z'n naaste familieleden verloren. De schoonmoeder van
Pieter (Alijt Cornelis) overleed tussen april 1660 en maart 1664. Niet lang
daarna, omstreeks 1666 kwam Marij Reijers, de vrouw van Pieter te overlijden, en
ook de vader van Pieter is omstreeks die tijd overleden. Uit de erfenis van z'n
vader kreeg Pieter de volgende landerijen:
Pieter hertrouwde hierna met een lotgenote uit Grootschermer. Zij heette Reijnuw Pieters, en was juist weduwe geworden van Pieter Cornelisz. alias "Ouwe Gerrit". Deze was in zijn leven als commandeur op walvisvaart geweest naar Groenland.
Het
huwelijk vond plaats op 1 december 1667 in de RK-kerk (of wat daarvoor
door moest gaan) van het nabijgelegen De Rijp. Reijnuw Pieters nam 1 of meer
kinderen mee uit haar eerdere huwelijk. Ook bezat zij en haar kinderen een
aantal landerijen. De namen en oppervlaktes van deze landerijen waren:
Uit dit tweede huwelijk van Pieter Tames. werden nog twee kinderen geboren. Een dochter werd Rooms Katholiek gedoopt in De Rijp op 18 juni 1669 als Quirina, en werd Krijntje genoemd. Doopgetuige was Maria Pieters. 2 jaar later, op 2 mei 1671 werd er wederom een dochter van Pieter en Reijnuw gedoopt. Deze 2e dochter kreeg de naam Catharina. Getuige bij deze doop was Catharina Pieters.
Op
21 januari 1670 deed Pieter Tames, samen met z'n zwager Maarten Reijersz het
verzoek aan de weesmeesters om voogden aan te stellen over de weeskinderen van
Jantien Vreexs en Piter Cornelisz. Een van de voogden werd z'n andere zwager
Piter Reijersz backer. De vraag is of de ouders van de weeskinderen familie van
Pieter waren of niet.
De
broer van Reijnuw Pieters ging op 25 januari 1671 trouwen. De broer heette
Pieter Pietersz., en hij ging trouwen met Cornelia Alders. Ze gingen in
Grootschermer wonen. Op 12
maart 1671 verkochten Pieter Jacobsz Taams en z'n zwager Pieter
Pietersz het huis wat ze gezamenlijk in eigendom hadden. Vermoedelijk kwam dit
huis uit een erfenis van de ouders van Reijnuw en haar broer. Het verkoopbedrag
van het in Grootschermer gelegen huis was 140 gulden. Op 14 oktober 1671 wordt
het zoontje van Pieter Pietersz en Cornelia Alders gedoopt. Het kind krijgt de
naam Petrus, en Reijnuw Pieters is hierbij doopgetuige.
Rond
de jaarwisseling is Pieter vervolgens overleden. De begrafenis vond plaats op 2
januari 1672 in Grootschermer. Z'n weduwe Reijnuw Pieters blijft achter met 1 of
2 kinderen uit haar huwelijk met Pieter en mogelijk nog een kind uit haar
eerdere huwelijk met "ouwe gerrit". Ook waren er nog kinderen uit het
eerdere huwelijk van Pieter met Marij Reijers.
De
damschuit van Pieter Jacobsz Tames werd voor 260 gulden verkocht aan Pieter
Pietersz, de broer van Reijnuw Pieters. Het transport werd op 12 mei
1673 ingeschreven. Uit het huwelijk van Pieter Tames en Reijnuw
Pieters was op dat moment nog 1 kind in leven. Hun dochter Catharina die op 2 mei
1671 was geboren is dus voor 12 mei 1673 overleden.
Op
3
juli 1674 kwamen de voogden over de
kinderen van Pieter Tames bij de weesmeesters. Er bleek nog wat verschil van
mening te zijn over wie wat erft. Er waren kinderen uit het 1e en
kinderen uit het 2e huwelijk van Pieter. de weesmeesters zeiden dat
de voogden de administratie op orde moesten brengen en over 3 weken moesten
terugkomen. 3
weken later verschenen wel de voogden van de kinderen uit het 1e huwelijk, maar niet die over het kind uit het
2e huwelijk. Weer
3 weken later, het was inmiddels 14
augustus, verschenen alle voogden weer bij de weesmeesters. De
voogden van de kinderen (waaronder Reijer Pietersz) uit het 1e huwelijk beweerden dat er een fout
was gemaakt met betrekking tot de 2 stukjes land
die geërfd warejn van het overleden kind uit het 1e huwelijk van de 2e vrouw van Pieter Tames. Volgens een deskundig advies zouden deze 2 stukjes land
eerst in de gemeenschappelijke boedel moeten worden ingebracht, zodat de
kinderen uit het 1e huwelijk van Pieter Tames ook hun deel hierin
krijgen. De voogden van het kind (Krijntje Pieters) uit het 2e huwelijk vonden dat er in dat geval een hele nieuwe grondverdeling zou moeten
worden opgemaakt. De weesmeesters verzochten de partijen om woensdag aanstaande
in het sterfhuis te verschijnen om deze zaak "als goede man" via
minnelijke arbitrage bij te leggen. Blijkbaar is dat gelukt, want deze kwestie
staat daarna niet meer op de rol.
Op 14 maart 1675 werd het huis door de voogden van de kinderen van Pieter Tames verkocht voor 123 gulden. De koper zou in twee termijnen betalen. Het huis en erf lag ten noorden van de hofsteed (leeg erf) van Germent Salm en ten zuiden van Jan Claas Tijmes. Het
andere huis van Pieter was inmiddels gesloopt of vernietigd.
Waar
Reijnuw Pieters daarna ging wonen is me niet bekend. In de lijst van families
uit Grootschermer wordt zij in 1674 genoemd als weduwe met wie het financieel
redelijk ging ("nae t gemeen redel. gestelt") Haar broer Pieter
Pietersz Jongh wordt hierin marktschipper op Amsterdam genoemd. Regelmatig was
Reijnuw doopgetuige bij de kinderen van deze broer. Op 29 april 1680 was zij dat
voor het laatst. Tussen dat moment en 31 december 1680 is zij overleden. Haar
broer en zijn vrouw Cornelia Alders noemden hun eerstvolgende dochter Reijneldis,
gedoopt op 8 november 1684.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|