|
|
Molenaardigheden |
|
|
Maarten Reijersz
Inleiding Net als zijn broer Abraham Reijersz en zijn neefjes Reijer Pietersz en Claas Pietersz, werd ook Maarten Reijersz korenmolenaar van beroep. Maarten was degene die dit beroep voortzette op de molen van zijn vader, Reijer Maertsz in Grootschermer. Hij werd ongeveer tussen 1620 en 1630 geboren. Een eerste vermelding van Maarten komen we tegen op 6 oktober 1651 bij een strafzaak bij het Baljuwschap van de Nieuwburg. Hij was gedaagde, maar wat de eis was wordt niet vermeld. Op 20 oktober staat de zaak nog een keer op de rol, en daarna niet meer. Maarten
trouwde met Maartje Cornelis. Uit dit huwelijk werd zijn dochter Maartje
Maartens geboren. Later trouwde Maarten met Neel Jans. Huur van de korenmolen van Akersloot Pas
10 jaar later, op 17 januari 1661 wordt Maarten weer genoemd, en wel in
een huurcontract. Met ingang van mei 1661 zou hij de korenmolen van
Akersloot gaan huren. De huur per kwartaal was 12 gulden en 10 stuivers,
en daarbij inbegrepen was het recht om het huis te bewonen. Een
voorwaarde was dat de molenaar de burgers van Akersloot als ze aan de
beurt waren te helpen, en geen vreemden van buiten het dorp. Het maalloon
was:
Een andere voorwaarden van het contract was dat de schepenen van Akersloot het recht hadden het contract per kwartaal op te zeggen als de molenaar niet bevalt. Mogelijk hebben zij hiervan gebruik gemaakt, want hoewel het huurcontract van Maarten voor een jaar was, blijkt uit een nieuw huurcontract van 2 september 1661 dat er m.i.v. 1 augustus een andere molenaar was.
Een erfeniskwestie Maarten blijkt in 1663 inmiddels getrouwd te zijn met Neel Jans, de weduwe van Garbrant Cornelisz. Over een erfenis van de familie van deze Garbrant Cornelisz kreeg Maarten het in 1663 aan de stok met Claes Krijnsz Braeck.
Omdat er nogal veel personen een rol speelden in deze kwestie heb ik eerst onderstaande overzicht gemaakt. (uitgaande van voornoemde Garbrant Cornelisz):
Op 9 april 1663 legden Claes Jansz bij nacht en zijn vrouw Trijn Sijmonsdr. een verklaring af in het bijzijn van de notaris. Dit gebeurde in het huis en op verzoek van Claes Krijnsz Braeck. Zij verklaarden dat hun ooms Jan Sijmonsz uit Noordeinde, Jan Cornelisz Nolis uit De Rijp en Piter Cornelisz Nolis uit Grootschermer ongeveer 24 jaar geleden een verdeling van de grond hadden gemaakt. Dit vanwege de erfenis van de vader en grootvader van Garbrant Cornelisz en zijn zus. Verder was destijds afgesproken dat de moeder en haar nieuwe man Claes Krijsz Braeck de kinderen zouden opvoeden en grootbrengen onder voorwaarde dat Claes Krijnsz Braeck het vruchtgebruik zou hebben van de goederen van deze kinderen. Verder verklaarden zij zeker te weten dat Claes Krijnz Braeck zich nooit bemoeit had met de erfenissen van de kinderen, en bij hun huwelijk hun vaders erfenis meteen had teruggegeven.
Op
23 mei 1663 diende de zaak voor het eerst voor de schepenen van het dorp.
Maarten zou zijn eis later nog inleveren ter secretarie
in Zuid-Schermer, en Claes Krijnsz Braeck mocht daar een kopie van als hij
dat wou. Op
20 juni werd de eis omschreven op de schepenrol. Maarten wou dat de boedel
geïnventariseerd zou worden zodat zijn
vrouw Neel Jans haar deel kon ontvangen. Het betrof de boedel van de
vader van Garbrant Cornelisz en de later overleden opa, tante en ooms
van vaderszijde van genoemde Garbrant Cornelisz. De moeder van Garbrant
Cornelisz is na het overlijden van haar man hertrouwd met Claes Krijnsz
Braeck, en zij zouden de erfenissen nog beheren. Alleen een stukje land
van 1,5 achlen, dat ook nog verdeeld moet worden, was in gebruik bij Neel
Jans. Op 6 juli volgde weer een verklaring voor de notaris in het huis van Claes Krijnsz Braeck. De zus van Garbrant Cornelisz, een ongeveer 40-jarige weduwe genaamd Reijnste Cornelis, verklaarde dat zij en haar broer destijds, in het kader van de erfenis van hun vader en grootvader, twee stukjes land hadden ontvangen, het ene groot ongeveer vier achlen genaamd "Het Weer" en het andere groot drie achlen genaamd "De voorwaijde". Van de vruchten van dit land had haar stiefvader haar en haar broer grootgebracht. Zij verklaarde dat haar stiefvader haar "loffelijck" onderhouden had en de erfenis aan hen heeft overhandigd bij hun huwelijk, "sonder eenige quetsinge", en zij bedankte haar stiefvader voor alle weldaden die hij "soo vaderlijck bewesen" had. Verder verklaarde ook zij dat haar stiefvader zich nooit bemoeit had met de erfenissen van haar ooms en tante, en dat zij en haar broer die ontvangen hadden. Op 18 juli 1663 diende de zaak weer voor de schepenen en kwam het antwoord van Claes Krijnsz Braeck en zijn advocaat Haringcarspel. Hij ontkende alles wat Maarten had geëist, en zei dat de erfenissen van de vader en grootvader al verdeeld waren, en uitbetaald toen de kinderen meerderjarig werden. Het betrof de akkers "de voorwaide" (later verkocht) en "het weer" (na overlijden van Garbrant Cornelisz geërfd door zijn moeder en zus). Ook de erfenissen van de ooms en tante waren al verdeeld, o.a. het inmiddels verkochte land genaamd "huttis". Vervolgens zei Claes Krijsz dat deze eis alleen maar was gedaan om hem en zijn vrouw te verontrusten en te kwellen. Maarten vroeg om een kopie van dit antwoord.
Op
8 augustus was Maarten weer aan het woord. Hij ontkende het antwoord dat
Claes op 18 juli had gegeven en zei dat "De Voorwaide"
verkocht was en dat de opbrengst nog onder het beheer van de zus van
Garbrant Cornelisz was. M.b.t. "het weer" ontkende Maarten ook
iets ontvangen te hebben, maar integendeel, dat land was na het
overlijden van Garbrant Cornelisz door zijn moeder voor twee jaar verhuurd aan Neel
Jans, en de moeder had de huur ook in ontvangst genomen. Verder ontkende Maarten "Huttis" verkocht te hebben. Volgens hem
was
het zo dat Claes Krijnsz Braeck dit land verkocht had, en de opbrengst
zelf had gehouden. De advocaat van Claes krijnsz ontkende dit alles en
zei dat alleen waar was dat "De Voorwaide" verkocht was door
Garbrant Cornelisz en zijn zus. Op
18 augustus verklaarden de secretaris Harman Bosch en oud-schepen Jacob
Cornelisz Kollis op verzoek van Maarten Reijersz dat zij ongeveer 8 à 9
weken geleden ontboden waren in het huis van Jacobjen Frans, waardin in
de Prins, om de kwestie tussen Maarten en Claes aan te horen en om te
proberen ze tot verzoening te brengen voorzover dat mogelijk was. Zij
hoorden toen dat de moeder van Garbrant Cornelisz in het verleden een
"miesdoeck" met wat geld in ontvangst had genomen en dat zij
het geld later aan haar zoon Garbrant gaf na terugkomst van zijn reis. Op
23 augustus werden twee verklaringen notarieel vastgelegd in het huis en
op verzoek van Claes Krijnsz Braeck. De eerste verklaring was van Jan Germensz,
oud-schepen en vroetschapslid, en Dingnom Maertensz Timmerman. Zij
verklaarden dat zij zeer bewust waren van het feit dat Garbrant Conelisz en
zijn zus het land "de voorwaide" en "het weer" hadden ontvangen uit de erfenis van hun vader en grootvader. Na zijn
trouwdag had Garbrant "De Voorwaide" verkocht aan Harman
Bosch. Volgens Jan Germansz was Neel Jans eigenaar van "Het Weer" in 1660. De tweede verklaring was van
Claes Jansz bij nacht. Volgens hem hadden zijn neef en nicht Garbrant en
Reijnste het land "huttis
of beassweer" geërfd van hun tante. Garbrant had dit land vaak te
koop aangeboden aan Claes Jansz bij nacht, en die had het uiteindelijk ook
gekocht. Op 27 augustus legde de notaris wederom een verklaring vast in het huis en op verzoek van Claes Krijnsz Braeck. Reijnste Cornelis bevestigde dat zij en haar broer Garbrant indertijd een stukje land genaamd "Huttis" geërfd hadden van hun tante Dieuwer Sijmons, en ontvangen hadden uit handen van hun twee oudooms Jan Cornelisz en Pieter Cornelisz Nolis. Zij hadden het land rustig bezeten en de vruchten daarvan jaarlijks genoten. Uiteindelijk hadden zij samen het land in het voorjaar van 1660 verkocht aan hun oom Claes Jansz bij nacht. De opbrengst deelden zij samen zonder dat hun stiefvader hier iets van ontvangen had. Op
12 september, toen de zaak weer bij de schepenen diende, verzocht Maarten of
Claes Jansz bij nacht en Jan Germensz binnen acht dagen op het raadhuis
wilden komen om hen te ondervragen. Diverse keren
staat de zaak nog op de rol, en Maarten wou dat de verklaring van Jan
Germensz niet werd meegenomen i.v.m. de inhoud van de
tegen-ondervraging. Ook de verklaring van Dingnom Maertensz had
volgens hem geen waarde omdat die al lang ziek was en die zijn verklaring
niet onder ede wou doen. Op
2 januari 1664 zou de uitspraak van de schepenen komen. De schepenen
vroegen echter eerst van beide partijen consultatiegeld om
hiermee een advies van rechtsgeleerden te kunnen vragen. Claes Krijnsz
Braeck moest vervolgens de ouderdom van Germen Cornelisz bewijzen en
wanneer oom Jan Cornelisz Nolis overleden was. Maarten Reijersz moest
daarnaast bewijzen in welk jaar deze Kees Jan Nolis overleden was. Ondertussen
verwezen de
schepenen deze zaak naar "goede mannen" om te proberen tot een
overeenkomst te komen. Op 1 februari volgden weer een aantal verklaringen in het huis en op verzoek van Claes Krijnsz Braeck. Een 64 jaar oude vrouw verklaarde dat Garbrant Cornelisz geboren was op Allerheiligen (1 november) 1629 's-avonds, en dat zij er zelf bij was toen zijn moeder Meijnu Germens in "Barents Noot" was. Verder verklaarden drie neven van Jan Cornelisz Nolis, overleden in De Rijp, dat hun voornoemde oom Kees Jan was overleden op 27 oktober 1652, zondagavond om zeven uur. De erfenis begon te verdelen in 1653, maar tot op heden had er geen grondverdeling plaatsgevonden. Verder verklaarden de neven dat Klaes Krijnsz Braeck zich nooit met de erfenis van deze Kees Jan had bemoeid en dat Garbrant Cornelisz later zijn deel heeft ontvangen. Op 13 februari volgde de uitspraak van de schepenen. Alles in overweging nemende kreeg Maarten geen gelijk met betrekking tot de erfenissen van de vader en grootvader, maar wel met betrekking tot de erfenissen van de ooms en tante, want daarvan zou een boedelbeschrijving gemaakt moeten worden. Op
29 februari ging Claes Krijnsz vervolgens in hoger beroep bij de hoge
vierschaar van de Nieuwburg. Maarten werd hierbij vertegenwoordigd door
(z'n broer?) Jan Reijersz. Om
verdere "onlusten, kosten ende verwijderinge van alle vrientschap"
te voorkomen lukte het na tussenkomst van "goede mannen"
om tot een overeenkomst te komen tussen Maerten en Claes. Dit
werd op 5 maart 1664 vastgelegd door schout en schepenen in
Zuid-Schermer. Maarten
zou z'n eis laten vallen en z'n eigen kosten voor z'n rekening nemen.
Hij verklaarde alle erfenissen ontvangen te hebben. Claes Krijnsz
beloofde de brief ter hand te stellen over de 80 gulden die de zus van
Garbrant Cornelisz teveel had ontvangen in de erfenis van haar broer.
Maarten hield t.z.t. nog recht op zijn deel in de nog niet verdeelde
erfenis van oom Kees Jan uit De Rijp. Claes Krijnsz moest ook zijn eigen kosten van het
proces betalen. Hiermee kwam een einde aan het proces. Maarten als meelmolenaar Een erfenis die waarschijnlijk minder problemen gaf was die van de ouders van Maarten. Zijn vader was omstreeks 1654 overleden, en nadat later ook de moeder van Maarten overleden was werd de korenmolen en het huis in 1664 toebedeeld aan Maarten. Hij werd net als zijn vader korenmolenaar in Grootschermer. Omdat zijn broers en zussen ook recht hadden op elk 1/8e deel in de erfenis moest Maarten hen jaarlijks betalen voor de molen en het huis. Daarnaast erfde hij een gedeelte in twee stukjes land van zijn ouders. Meer hierover valt te lezen in het verhaal over zijn vader
Waarschijnlijk om de 1e termijn aan zijn broers en zusters te kunnen betalen nam Maarten op 8 mei 1664 een hypotheek van 400 gulden op zijn twee geërfde stukjes land. Hij leende dit bedrag van Trijn Jans (weduwe van Jacob Reijersz Bolus) uit Schermerhorn. De twee stukjes land werden als volgt omschreven: de helft van Klaes Schipperties, gelegen Binnendijk ten oosten van kramer freeck en ten westen van de gauw, en de helft van Evertsland, gelegen Binnendijk ten oosten van Kornelis Frans en ten westen van Dirck Germensz.
Verplaatsing van de molen De
molen van Maarten stond midden in het dorp Grootschermer. In 1668
verzocht Maarten aan de gemeente om zijn molen te verplaatsen op zijn
eigen kosten. Op 13 december van dat jaar gaven de schepenen en
vroetschappen op het raadhuis toestemming hiervoor. Vanwege de
noodzakelijkheid van vrije wind voor de molen mocht Maarten de molen op
eigen kosten verplaatsen binnen de gemeente naar het land van Cornelis
Jansz vant End, stuurman uit het Noordeinde van Graft. Dit land was
gelegen in de Bure coge ten westen van de erven van Piter Braeck en ten
oosten van de ringsloot van de Noordermeer. Maarten moest wel voor het
land (na taxatie) betalen aan Cornelis Jansz vant End. Blijkbaar
is de nieuwe locatie nog wel aan discussie onderhevig. Op 21 januari
1669 legt Maarten een verklaring af op verzoek van zijn broer Piter
Reijersz die bakker is in Grootschermer. Hij zei vast van plan te zijn
de molen, die nu tussen de huizen op onvrije wind staat, te verplaatsen.
Door deze locatie tussen de huizen kunnen ongelukken met kinderen
gebeuren. Dit was helaas ook onlangs gebeurd volgens Maarten. Voor het
verplaatsen was op 13 december al een stuk land aangewezen door de
gemeente, op 300 roeden (±1.200 meter?) afstand van de bakkerij van
Piter Reijersz. Ook had Maarten voor dit doel op 7 januari al een
andere molen gekocht. Deze was gelegen in de Sapmeer in Graft. Ook
op 21 januari legden een aantal oudere mannen een verklaring af bij
dezelfde notaris, ook op verzoek van Piter Reijersz backer. De 77-jarige
Lenert Jacobsz verklaarde goed te kunnen herinneren dat op het erf van
Piter al 73 jaar brood werd gebakken, en dat de bakker destijds
Cornelis Muller was met zijn vrouw Neel Jans. Hij heeft vaak horen
zeggen dat die bakker daarvoor ook al 30 jaar op dat erf heeft gebakken.
De 60-jarige Vreeck Jansz (ouderling van de gereformeerde kerk)
verklaarde dat genoemde Cornelis Muller en Neel Jans zijn oom en tante
waren. Anderen hadden hem vaak gezegd dat zijn oom en tante al vanaf 100
jaar geleden daar gebakken hebben. Op
4 april 1669 werd de verplaatsing van de molen weer besproken door de
schepenen en vroetschappen van Zuid- en Noord-Schermer. Dit vond plaats
op het raadhuis van Zuid-Schermer. Maarten deed nu het verzoek om een ander stuk land in te nemen als nieuwe locatie voor z'n huis en
molen. Het land van Cornelis Jansz vant End zou ongeschikt zijn. Met
meerderheid van stemmen werd besloten dat Maarten het land van de erven
van Piter Krijnsz Braeck aan de ringsloot van de Noordermeer mocht
gebruiken voor z'n molen en huis. Maarten moest nog wel met genoemde
erven tot overeenstemming komen. Vier "goede mannen" gaan
taxeren. De
erven blijken hun land echter nog niet af te willen staan, want op 1 mei
diende Maarten bij de schepenen een eis in tegen Claes Krijnsz Braeck en
de andere erfgenamen van Piter Krijnsz Braeck. Hij vroeg om de reden te
geven van het verbod. Het antwoord van de gedaagde was dat ze het
besluit van 4 april van de schepenen en vroetschappen niet wensten te
gehoorzamen, en dat ze niet tevreden waren met de taxatie van de waarde
van het land. Ook waren ze het niet eens met de meting die Jan Reijersz
(de broer van Maarten) had gedaan. Maarten wou de uitspraak van 4
april volgen en de kooppenningen volgens taxatie voldoen. De
schepenen wilden eerst advies en hielden de zaak aan. Op 15 mei deden de
schepenen uitspraak. De erfgenamen moesten het besluit van 4 april volgen
en Maarten het vrije gebruik van het land toestaan. Maarten moest het
getaxeerde bedrag voor het land betalen. Als de erfgenamen het niet eens
waren met de meting, dan mochten ze op eigen kosten een nieuwe meting van het
land laten doen. De erfgenamen zeiden meteen dat ze in hoger beroep wilden gaan tegen deze uitspraak. De
schepenen en vroetschappen kwamen op 22 mei 1669 weer bijeen op het
raadhuis van Zuid-Schermer. Wederom bij meerderheid van stemmen werd
besloten dat de ingebruikname van het land van de overleden Piter
Krijnsz Braeck in de Buremade aan de kant van de ringsloot plaats zou
vinden. Dit was een bevestiging van het besluit van 4 april. Het land zou door Maarten in gebruik worden genomen, en mocht een van de
erfgenamen van Piter Krijnsz Braeck hier tegen ingaan terwijl er voor
het land betaald was, dan zouden de schepenen en vroetschappen hun
besluit handhaven, en opkomen voor Maarten. Op
27 augustus 1669 kocht Maarten van de erfgenamen van Piter Krijnsz
Braeck een stuk land van 2 achlen groot in de Buremade ten noorden van
Kornelis Jansz vant End en ten zuiden van Piter Reijniersz Kramer. Dit
zal het land zijn geweest waar hij zijn molen en huis op zou gaan
plaatsen. De oude molen in het dorp is vermoedelijk daarna afgebroken.
Maarten als meelmolenaar (2) De
Staten van Holland hadden blijkbaar besloten dat de bakkers uit
Driehuizen hun zaad bij Maarten moesten laten malen. De schepenen en
vroetschappen behandelden op 19 december 1669 namelijk het verzoek van
Maarten om dat besluit, te handhaven. Het verzoek werd toegekend, als
er maar geen kosten aan verbonden waren voor de gemeente.
Op
3 december 1671 verzocht Maarten aan schepenen en vroetschappen om
conform de koopbrief van de molen hetzelfde maalloon te krijgen als in
Graft en De Rijp. Dat is 4 stuivers en 8 penningen per zak tarwe en drie
stuivers voor armenrogge. Er werd ingestemd met de verhoging. Op
diezelfde dag kwamen echter ook drie bakkers bij schepenen en vroetschappen
om te klagen over het slechte meel van de molenaar. Tot nu toe hadden
zij daarover gezwegen. Een van de bakkers was de broer van Maarten (later
bijgeschreven) De gemeente besloot dat Maarten goed meel moest malen voor
bakkers en "huijsluijden", en behulpzaam moest zijn voor
iedereen die bij z'n molen kwam. Mochten de bakkers later weer komen
klagen dan zou de verhoging van het maalloon weer vervallen. Maarten
beloofde vervolgens dat hij precies zo zal handelen als van hem verwacht werd.
Op
9 juli 1675 werd door de schepenen en vroetschappen een klacht van
Maarten behandeld. Volgens de toezichthouder op de impost van het gemaal
moest er eerst een biljet gehaald worden voordat het koren gemalen mocht
worden. Dit biljet diende waarschijnlijk als bewijsstuk dat de belasting
op het gemaal was betaald. Volgens Maarten was dit gebruik van biljetten
in strijd met het oude gebruik, zowel in Alkmaar als op het platteland.
Na overleg door de schepenen en vroetschappen besloten zij dat de
toezichthouder en de collecteur aangesproken zouden worden door de bode
met de mededeling dat het graan hier gemalen kon worden zonder biljet. Op 29 juli werd vervolgens tijdens de vergadering van schepenen en vroetschappen een insinuatie van de pachter van het gemaal voorgelezen over de bewuste cedullen (biljetten). Het gemeentebestuur besloot de zaken in redelijkheid te handhaven. Een aantal jaren later, op 28 augustus 1679 werden alle bakkers van Zuid-Schermer ontboden op het gemeentehuis. Zij moesten op last van de schout en de pachter van het gemaal een eed van 'getrouwigheid' afleggen om de pachter niet te benadelen, en geen fraude te plegen bij de wetgeving van de impost op het gemaal. De bakkers gingen in overleg, en toen ze weer boven kwamen was hun antwoord dat ze best wel de eed wilden afleggen zodra de bakkers in de omgeving dit ook zouden doen.
De
schepenen en vroetschappen besloten op 22 januari 1676 dat Joost
Sijmonsz, een bakker uit Noord-Schermer zijn zaad, net als in het
verleden, moest laten malen op de molen van Maarten. Dit besluit werd
genomen nadat Maarten had gemeld dat deze bakker niet alleen onwillig
was om zijn zaad bij hem te laten malen, maar dat hij ook feitelijk bij
molens in de omgeving, voornamelijk die van Schermerhorn, liet malen.
Deze bakker was een van de drie klagers toen Maarten verhoging van
maalloon kreeg in 1671. Op 25 november 1676 startte Maarten een rechtszaak tegen deze Joost Sijmonsz. Waar het over ging is niet duidelijk. Maarten diende zijn eis in, en de vrouw van Joost Sijmonsz was aanwezig omdat haar man niet kon komen. Op 16 december bood Joost Sijmonsz aan om de kosten van deze en de vorige rechtdag te betalen. Hij bekende dat hij Maarten slecht ("qualijc") had bejegend en aangetast had in zijn goede naam en faam, en dat dit "in coleere" (uit boosheid?) was gebeurd. Maarten wees het voorstel af en bleef bij zijn eis. Diverse keren staat de zaak nog op de rol, en op 19 april 1677 deden de schepenen uiteindelijk uitspraak. Ze verwezen de partijen naar "goede mannen" om tot een akkoord te komen. Ze moesten meteen in de Jonge Prins bijeenkomen, en als het niet lukte weer terug komen bij de rechters. De zaak werd opnieuw besproken in de vergadering van schepenen en vroetschappen van 3 februari 1678. Het gemeentebestuur zou Maarten op zijn kosten bijstaan. De molen hoorde immers onder beide gemeenschappen, zowel Noord- als van Zuidschermer. Ook de armen hadden er belang bij dat het graan op de molen van Maarten werd gemalen.
Op
3 december 1676 betaalde de gemeente 2 gulden en 10 stuivers aan Maarten
voor "een steen tot meningweers molen". Vier jaar eerder was
Jan Reijersz, de broer van Maarten, nog benoemd tot "moolen
voogd" over deze molen. Hoelang hij dat bleef, is mij niet bekend. Op
10 juli 1679 is de watermolen van de polder Meningweer afgebrand. Op 12
juli werden de plannen voor herbouw besproken in de vergadering van
schepenen en vroetschappen.
Onroerend goed Op
30 maart 1667 blijkt dat Maarten een huis verhuurde aan Thonis Tijmonsz.
Maarten eiste op die dag dat de huurder nog 20 gulden huur moest betalen,
en dat de huurder in mei het huis moest verlaten omdat de huur dan
eindigde. De huurder beweerde dat de huur nog een jaar langer duurde en
was
bereid dat onder ede te verklaren. De huur zou hij betalen. Op
29 april vroeg Maarten om een bewijs van hetgeen de huurder beweerde.
Thonis zei dat het waar was dat hij recht had op de huur en dat hij dit onder ede wou verklaren. De
uitspraak van de schepenen was dat de huurder moest verhuizen en een
korting kreeg van 8 gulden en 10 stuivers.
Op 4 oktober 1672 verkocht Maarten de Bosseven (gelegen Binnendijk ten oosten van de Delft) groot 2 achlen en 2 metjes voor 31 gulden en 10 stuivers. Op 2 januari 1677 kocht hij van Mr. Reijnier Cramer, chirurgijn te Graft, een stukje land ten noorden van zijn eigen land. Koopsom was 6 gulden en 6 stuivers. Vermoedelijk lag dit land ten noorden van de molen van Maarten. Op 22 november 1679 verkocht hij een stukje land van 1 achlen voor 31 gulden en 10 stuivers. Op
16 april 1680 kocht hij van de kinderen van zijn zus Meijnu Reijers de
helft van twee stukjes land genaamd Claes Schippers en Het Vierkant.
Beide akkers waren gekomen uit de erfenis van hun ouders. Maarten had de
andere helft al, en werd nu dus eigenaar van het gehele land.
Op 20 maart 1665 en op 16 maart 1676 verkochten de erfgenamen van Dingnom Maartensz een aantal landerijen. Een van de erfgenamen was Maarten Reijersz. Vermoedelijk was dit familie van zijn vrouw Neel Jans.
Maarten had op een gegeven moment land gehuurd van Claes Cornelisz uit Noordeinde, en de verhuurder had tegengehouden dat Maarten zijn beesten op dat land zou houden. Op 31 maart 1677 vroeg Maarten om uitleg via de schepenen. Claes Cornelisz zei dat de huur nooit betaald was en dat hij daarom al omstreeks Vrouwendag gezegd had dat Maarten het land niet zou krijgen.
Voogdij Maarten
werd in december 1667 voogd over de weeskinderen van Jacob IJsbrantsz
en Jacobien Heerties (op verzoek van haar zus Guert Heerties). Op 22
augustus 1668 blijkt zijn medevoogd Jan Jansz Backer te zijn, en op 8
oktober 1674 was Maarten nog steeds voogd over een van de kinderen.
De broer van Maarten, genaamd Piter Reijersz backer, is tussen 24 juli en 13 september van het jaar 1674 overleden. Hij liet vier kinderen na waarvan er drie (Aaltje, Maartje en Sijmon) nog minderjarig waren. De minderjarige kinderen gingen bij hun oom Maarten Reijersz wonen. Van het meerderjarige kind Claas Pietersz weet ik niet zeker of hij ook bij Maarten gingen wonen. Maarten ging ook de boedel beheren van de drie minderjarige kinderen.
Maarten stelde zich op 13 september 1674 borg voor de claim die de vader van Lijsbet Jans op de erfenis van Piter Reijersz had. Lijsbet Jans was dienstmeid van Piter Reijersz geweest, en haar vader claimde nog 30 gulden huur, en kostgeld over de periode nadat Lijsbet vertrokken was. Claas Pietersz ontkende mede namens zijn zussen en broer. Hij zei dat hij de dienstmeid zelf aangenomen had onder voorwaarde dat ingeval van huwelijk of overlijden van een van hen dat dan meteen opgezegd kon worden met betaling tot dat moment, en langer niet. De schepenen deden op 26 september uitspraak en verwezen partijen naar "goede mannen" om tot overeenstemming te komen.
Maarten
werd meerdere malen door weesmeesters verzocht om te verschijnen i.v.m.
het aanvaarde bewind over de goederen van de kinderen van zijn broer
Piter. Hij kwam uiteindelijk op 4 december 1674 met een afrekening van de
boedel. De weesmeesters vonden het echter niet voldoende. Op
8 januari 1675 werden Maarten en zijn broer Jan benoemd tot voogd over
de minderjarige kinderen van hun broer Piter. Op 5 februari werd op
verzoek van Jan Reijersz nog een derde voogd benoemd. Dat werd Pieter
Cornelisz t kindt. Een
van de kinderen van z'n overleden broer Piter Reijersz voer als schipper
tussen Zuid-Schermer en Alkmaar. Zijn naam was Sijmon Pietersz Backer.
Maarten, die voogd was over o.a. deze Sijmon, stelde zich borg op 22 mei
1677 voor zijn neefje. Dit had te maken met de pakjes, gelden, bieren en
andere waren, die hem als schipper werden toevertrouwd. In
november 1677 verzocht Maarten bij de weesmeesters of er een schuit voor
Sijmon gekocht mocht worden. Het ouderlijk huis met de bakkerij werd op
20 april 1678 verkocht voor 300 gulden. De bakkerij was gelegen ten
westen van het raadhuis van Grootschermer. Op 16 april 1680 legde Maarten voor het laatst verantwoording af over de administratie van zijn neef Sijmon Pieters die inmiddels overleden was.
Claas
Pietersz, de meerderjarige zoon van Piter Reijersz, kocht de korenmolen
en het bijbehorende huis en erf in Zijdewind. De molen stond in de
Slootgaert aan de zuidkant van de Heereweg. Claas leende hiervoor een
bedrag van 1.194 gulden. De eerste termijn moest hij op 16 januari 1678
betalen, en de laatste op 16 januari 1684.
Diversen In
1668 staat een kwestie tussen Maarten en Allert Nolis op de
schepenrol. Ze kwamen er waarschijnlijk uiteindelijk zelf uit. Op 26
september werd de zaak afgesloten bij de schepenen. Maarten moest 10
stuivers en Allert Nolis 1 gulden aan kosten betalen.
Op
9 augustus 1673 spande Maarten een zaak aan tegen Rem Cornelisz. Waar het
over gaat wordt niet gemeld. De schepenen laten "goede mannen"
eerst bemiddelen om tot overeenkomst te komen, en als dat niet lukt kon
alsnog een proces starten. Met
de afbetaling van de molen had Maarten wat achterstand. In ieder geval
is hiervan sprake bij z'n neefjes Cornelis Cornelisz (100 gulden met
rente op 3 juli 1674) en Reijer Pietersz. Op 12 september 1675 kocht Maarten van zijn broer Abram Reijersz een vordering van 2.150 gulden op Arien Willems, de korenmolenaar van Schermerhorn die de molen daar van Abram had gekocht. Meer hierover valt te lezen in het verhaal over zijn broer
Op de schepenrol komen we Maarten weer tegen op 13 mei 1676. Hij moest nog 11 gulden en 11 stuivers betalen aan Otto Reijniers Kuijper wegens geleverd hooi en nog wat "spaenderen en vaetwerck" in de vorige winter. Otto had Maarten al diverse malen vriendelijk verzocht te betalen. Maarten gaf toe dat hij het geld schuldig was en verzocht uitstel van betaling. Hij werd veroordeeld tot het genoemde bedrag en de bijkomende kosten.
Testament Neel Jans, de vrouw van Maarten ging op 1 mei 1675 naar de notaris in De Rijp om haar testament vast te laten leggen. Ze benoemde tot haar erfgenamen de kinderen van Pieter Reijersz Backer, de broer van haar man Maarten. Daarnaast benoemde zij ook de dochter die geboren was uit een eerder huwelijk van Maarten Reijersz tot haar erfgenaam. Elk kind zou een gelijk deel erven.
Overlijden van Maarten Tussen
16 april 1680 en 18 december 1681 kwam Maarten te overlijden. Salomon van Rusting, de arts en chirurg van Grootschermer, beschreef in 1707 de dood van een aantal Molenaars. In de onderstaande tekst werden vermoedelijk Maarten Reijersz en zijn neefje Claas Pietersz bedoeld:
Het lijkt er dus op dat Maarten door botbreuken en ontsteking is overleden, en Claas werd vermoord (?). Helemaal kloppen kan het verhaal niet, want volgens een andere bron had Claas Pietersz zijn molen in Zijdewind in 1701 verkocht en werd hij in 1702 genoemd als molenaar te Benningbroek. Misschien dat nader onderzoek ooit meer helderheid zal geven. Maarten liet een dochter na genaamd Maartje Maartens. Zij was de dochter uit het eerdere huwelijk van Maarten met Maartje Cornelis. Zijn weduwe Neel Jans is niet lang na Maarten overleden. Het weeskind Maartje Maartens verzocht zelf bij de weesmeesters dat er voogden zouden worden aangesteld over haar boedel. Dat werden Mr. Simon Ruts en de secretaris Joh. van der Meer, op voorwaarde dat zij hier salaris voor zouden krijgen. Namens Maartje kochten de voogden op 25 maart 1683 een gedeelte (3/8e deel) van de meelmolen met toebehoren (zeilen, stenen, bilhamers) en windprivilege. Ook het bijbehorende huis, molenerf en een blokje land ten noorden van het erf behoorden tot de koop. Verkopers waren de drie kinderen van haar oom Pieter Reijersz als erfgenamen van haar stiefmoeder Neel Jans. De koopsom van 843 gulden en 15 stuivers werd in twee termijnen betaald, de eerste meteen en de tweede een jaar later in mei 1684. De molen, huis en erf was na deze koop geheel in handen van dochter Maartje. 3/8e had zij gekocht van haar mede-erfgenamen, 1/8e had zij zelf van haar stiefmoeder geërfd, en de helft had zij van haar vader geërfd. Op
2 april 1683 verkochten de gezamenlijke erfgenamen van Maarten Reijersz
en Neel jans ook nog twee akkers land. Het ene genaamd Klaes Schippers
(5 achlen groot) voor 75 gulden per achlen, en het andere land was 2
achlen groot en werd verkocht voor 30 gulden per achlen. Op
25 juli 1684 legden de voogden hun verantwoording af over de afgelopen
periode. Zij hadden ruim
1.649 gulden ontvangen en ruim 1.548 gulden uitgegeven voor het weeskind
Maartje. Het voordelig saldo van 101 gulden overhandigden zij aan
Cornelis Hendriksz Molenaar. Deze was inmiddels met Maartje getrouwd, en
werd korenmolenaar in Grootschermer op de molen van zijn overleden schoonvader Maarten Reijersz.
Kinderen
van Pieter Reijersz Claas
Pietersz Molenaar bleef korenmolenaar in Zijdewind tot 1701. In mei van
dat jaar verkocht hij de molen en het huis aan Jan Poulusz Molenaar.
Claas vestigde zich daarna in Benningbroek. Maartje
Pieters trouwde met Willem Claasz Kramer die in 1685 in Zijdewind
woonde. Aaltje Pieters woonde eerst waarschijnlijk bij haar broer Claas Pietersz, Molenaar, en trouwde begin 1689 met Claas Pietersz Kistemaker uit Lambertschaag. Ze woonden in 1692 in Midwoud.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|