![]() |
Molenaardigheden | ![]() |
|
Reijer Pietersz (±1663 - 1737)
Het verhaal van Reijer Pietersz heb ik in 4 delen gesplitst: Deel A Zijn jeugd tot zijn huwelijk in 1687; Deel B De periode 1687 - 1710 toen hij meelmolenaar was in Warmenhuizen; Deel C De periode 1710 - 1717 toen Reijer steeds meer buiten Warmenhuizen actief was; Deel D Volgt hieronder en beschrijft de periode vanaf 1717 toen hij o.a. meelmolenaar was in Schagen.
Naar Schagen Het
stadje Schagen waar Reijer Pietersz zich nu vestigde als meelmolenaar had een
centrumfunctie
voor de wijde omgeving, o.a. door de markt die elke donderdag werd gehouden.
Verder stond er in die tijd nog het vrijwel complete slot van Schagen, in 1440
gesticht door Willem van Beieren. De molen van Reijer was gelegen aan de
westzijde van de stad. De andere korenmolen van Schagen werd nog steeds door
Mues Adriaansz. bemalen. Het maalloon "in het collectboek comende"
deelden zij samen.
Kinderen van Reijer Reijers zoon Pieter bleef niet lang molenaar op Huisduinen, want in 1718 vertrok hij naar Nieuwe Niedorp. Hij kocht daar op 6 augustus zijn eerste eigen korenmolen. Ook een hofstede en nog een huis waren bij de koop inbegrepen. Betalingstermijnen van het totale bedrag van 4.400 gulden waren: 400 gulden meteen, 300 gulden op 1 mei 1719 en op 1 mei 1720, daarna jaarlijks 200 gulden. Deze
molen was eerder van Mues Adriaensz geweest. Deze had de molen in 1713 verkocht
aan Teuwis Cornelisz Verwer. Laatstgenoemde bleek in juni 1718 een
betalingsachterstand te hebben aan Mues met betrekking tot de
afbetalingstermijnen van de molen. Vlak daarna verkocht Teuwis de molen dus aan
Pieter Reijersz.
Dochter Lijsabeth trouwde met Cornelis Gerritsz. Wakkerschoon. Deze
was bakker van beroep. Het wettelijk huwelijk vond plaats op zondag 20 augustus
1719 te Schagen. Zowel bruid als bruidegom woonden op dat moment op de "hoogesijde".
Zoon
Maarten was op dat moment waarschijnlijk als 18-jarige
molenaarsknecht werkzaam op de molen van Mues Adriaansz. op het Noord in Schagen.
Ook dochter Maartje ging trouwen. Op 21 januari 1720 trouwde zij met de op dat moment 25-jarige Poulus Dirksz. Clomp. Deze was net als zijn vader binnenschipper van beroep, en woonde aan de Bierkade te Schagen. Een belangrijke vaarroute voor de Schager binennschippers liep langs de meelmolen op de Loet, en Poulus Dirksz. zal dus wel regelmatig langs het ouderlijk huis van Maartje hebben gevaren.
Collega Mues Adriaansz Op 20 mei 1719 werd Mues Adriaansz veroordeeld tot een boete van 2 x 300 gulden omdat hij met de twee meelmolens te Schagen op 29 september 1717 na zonsondergang zou hebben gemalen. Hij zou toestemming hebben gehad, maar weigerde om dit onder ede te verklaren.
Zijn dienstknecht Jan Pietersz die van mei 1718 tot mei 1719 bij hem in dienst zou zijn vertrok vroegtijdig op 22 februari 1719. Maarten, de zoon van Reijer, legde hierover op 26 maart 1719 een verklaring af bij de notaris. Volgens hem zei Jan Pietersz tegen Mues dat het contract elke week opgezegd kon worden omdat dat gebruikelijk was tussen molenaars en hun knechten. Mues gaf hem zijn loon tot dat moment en de knecht vond dat goed. Daarna begon hij echter nog wel over het loon voor het billen van de maalstenen wat hij nog tegoed zou zijn. De nieuwe knecht werd Sijbrant Sjouwer. Maarten Reijersz verklaarde dat hij op verzoek van de oude knecht, met hem mee was geweest naar Haarlem om een nieuw dienstverband voor hem te zoeken. Pieter Pietersz, de broer van de oude knecht, begon op 3 april een rechtszaak tegen Mues. Zijn minderjarige broer zou voor eten en drinken en 18 stuivers per week voor Mues werken. Als hij meer dan een halve steen zou billen zou Mues daarvoor extra moeten betalen. Omdat Mues hem nu zonder reden "oorlof" (ontslag?) had gegeven wou hij de dienst tot mei volbrengen en dat het salaris vanaf 6 maart werd doorbetaald door Mues, inclusief een vergoeding van 2 gulden per week voor eten en drinken. Mues ontkende de eis, en op 17 april staat de zaak voor het laatst op de rol, zonder uitspraak.
Mues
Adriaansz bleek in de herfst van 1719 last te hebben van een slecht geheugen. Hij zat vaak in zichzelf te
piekeren en had woede-aanvallen. De vrouw van Mues had het tot de herfst
van 1719 verborgen weten te houden voor de buitenwereld, maar daarna kon zij dit
niet langer. Enige tijd later, op 11 juni 1720, gingen enige kennissen van Mues
naar de notaris om hierover te vertellen. Dit op het verzoek van de meelmolenaar
van St. Maarten. De kennissen hadden Mues op 9 juni 1720 gezien bij chirugijn Mr.
Bant in de Zijpe aan de Schagerbrug. Mues was onder diens behandeling met een
ketting en een zwaar blok aan het been. Een van de kennissen vertelde dat Mues
Adriaansz. hem verschillende keren had aangeroepen en bij de mouw getrokken om
een pijpje te roken, en dan voorstelde om een paard en kar te kopen zodat de
kennis daarmee het zaad van de bakkers te St. Maarten zou halen, en Mues zou het
dan op zijn molen breken, waarna het meel weer teruggebracht kon worden. Het
antwoord van de kennis was "Het is malle praat". Mues hield echter vol
en herhaalde: "Dien duijvel moet uijt St.Maarten en ik wederom op de Zijpse
molen" (Mues was voordat hij in Schagen kwam meelmolenaar in de Zijpe
geweest).
Een
andere verklaring werd een dag eerder, op 10 juni 1720, gegeven door Pieter
Reijersz. Deze verscheen namelijk voor de notaris van Nieuwe Niedorp, het dorp
waar hij meelmolenaar was. Dit vond plaats in herberg "Graeff Maurits".
Pieter vertelde dat Mues Adriaansz., samen met Hillebrand Pietersz., in de
nazomer van 1719 met de sjees naar hem in Nieuwe Niedorp waren gekomen. In de
notariële akte werd vermeld dat Mues Adriaansz. en Hillebrand Pietersz., de
koper van Reijers molen in Warmenhuizen, speciale vrienden van elkaar waren. Zij
vroegen aan Pieter of hij een verklaring zou willen geven dat hij in februari
1714 was verzocht om de zeilen, touwen en bilhamers van de meelmolen van de
Zijpe te taxeren. Pieter zei dat hij zo'n verklaring niet kon geven, omdat er
nooit aan hem gevraagd was om die taxatie te doen. Mues hield echter vol, en
greep Pieter bij de mouw, en zei: "doen
't maar vrijer het is jou vergeten, ik sal neffens u ook soo verclaren".
In de notariële akte werd vervolgens vermeld dat Pieter en Mues op het gerecht
van Nieuwe Niedorp ondervraagd waren, en Pieter had gezegd dat hem nooit was
verzocht om de taxatie te doen, en dat hij niet anders wist dan dat Cornelis
Jansz. de Geus de molen in de Zijp als knecht bemaalde, en dat hij niet wist of
er sprake was van huur, en hoeveel die huur dan zou zijn.
Familie/gezin Op
13 juli 1721 vond er wederom een huwelijk plaats onder Reijers kinderen. Simon
namelijk trouwde in Alkmaar op die datum met Antje Cornelis Wieringen. Haar man van wie ze gescheiden was, was inmiddels
overleden. Zij kende Simon Reijersz. al jaren, want Simon had zoals hiervoor
beschreven in deel C ooit
al eens bij Antje en haar eerdere man ingewoond. Zij heeft toen echter veel
moeten verduren, hopelijk zou zij met Simon een beter huwelijk tegemoet gaan.
Zij trouwden niet in gemeenschap van goederen, zodat de afbetalingstermijnen van
de in 1714 gekochte molen door Reijer en Simon aan Antje Cornelis betaald
moesten worden (jaarlijks 200 gulden, Antje was namelijk erfgename van haar
eerdere man). In het contract met de huwelijksvoorwaarden
werd vastgelegd dat indien Simon zou komen te overlijden, zijn vader een
legitieme portie zou erven. Zijn moeder werd hierbij niet genoemd, en zij zal op
dat moment dus al niet meer in leven zijn geweest. Haar exacte overlijdensdatum
is niet bekend, maar het huwelijk van haar zoon Simon zal zij dus wel niet
meegemaakt hebben. Zij is in Schagen overleden.
Reijer
bleef nu achter in de woning aan de Loet in Schagen. Een aantal van zijn
kinderen zullen nog wel bij hem hebben gewoond. Jan, Maarten, Jacob en Trijntje
waren nog minderjarig. Pieter, de zoon die nog meelmolenaar was te Nieuwe
Niedorp, was intussen ziek geworden. De notaris die daarna langskwam, maakte het
testament op van Pieter Reijersz. en zijn vrouw Grietje Adriaans Buijs. Dit vond
plaats op 5 februari 1722, en enige tijd daarna is Pieter overleden op de nog
jonge leeftijd van 30 jaar.
Verkoop molen en bakkerij Reijer had in juli 1720 zijn bakkerij aan de Oostwal in Warmenhuizen inmiddels verkocht. Hij ontving hiervoor 200 gulden van de erfgenamen van Hendrik Courtsz. Bakker.
Ook de molen en het huis in Schagen verkocht hij. Na het overlijden van zijn zoon was hij in 1722 naar Nieuwe Niedorp verhuisd. Hij was ongeveer 59 jaar oud en ging de molen van zijn overleden zoon Pieter bemalen totdat deze op 20 oktober voor 4.450 gulden werd verkocht door Grietje Adriaens Buijs, de weduwe van Pieter. Voor de molen
op de Loet in Schagen ontving Reijer 5.750 gulden, welke opbrengst bestemd was
voor zijn drie dochters Maartje, Lijsabeth en Trijntje. Voor het huis werd 250
gulden ontvangen. De koper, Pieter Pietersz, moest het totale bedrag van 6.000 gulden als
volgt betalen: 500 gulden meteen op 1 mei 1722, 700 gulden op 1 november
1722, en vervolgens 24 jaarlijkse termijnen van 200 gulden, telkens op 1
november te voldoen.
Er
kwam
nu een einde aan het molenaarsschap van Reijer Pietersz. Hij had echter
voldoende verdiend om de rest van zijn leven te kunnen rentenieren. Hij is in
Alkmaar gaan wonen, dezelfde woonplaats als zijn zoon Simon en diens vrouw.
Mogelijk dat hij bij deze zoon is gaan inwonen.
Afbetaling molen Schagen (1) Intussen was Reijer ook betrokken bij een proces tussen de erfgenamen van Pieter Hendriksz. Molenaar en Mues Adriaansz. Molenaar. Het ging over een betalingsachterstand die Mues had in verband met de koop van de molen op het Noord in Schagen. Mues moest dit betalen aan de vorige eigenaar Reijer Pietersz die dit weer doorbetaalde aan de eigenaar daarvoor (Aalbert Aalbertsz Cool), die het weer doorbetaalde aan de eigenaar daarvoor (de inmiddels overleden Jacob Hillebrants), die het weer doorbetaalde aan de eigenaar daarvoor (voornoemde Pieter Hendriksz Molenaar). Dit kwam doordat de afbetalingstermijnen over ongeveer 20 jaar werden verdeeld, en bij tussentijdse verkoop de oude lening in stand bleef. Het ging om een bedrag van 175 gulden. De vrouw van Mues kreeg 13 april 1722 toestemming om haar man te vertegenwoordigen in deze zaak i.v.m. "onbequaemheijt" van haar man door "gebreck van verstant". Op
11 mei verzocht zij uitstel totdat de zaak tussen haar en Reijer Pietersz was
afgewikkeld. Reijer was volgens haar bereid de schadevergoeding vrijwillig over
te nemen. Op 22 juni verscheen Reijer Pietersz bij de schepenrechtbank in
Schagen en verzocht uitstel totdat hij de zaak had afgewikkeld met de voogden
over de kinderen van de inmiddels ook overleden Aalbert Aalbertsz Cool. Hij
kreeg 6 weken uitstel. Mues Adriaansz verklaarde intussen weer gezond te zijn en
nam de zaak van zijn vrouw over. Op 28 september verklaarde de weduwe van Jacob
Hillebrants dat zij wou meewerken om het verschil op te lossen. Op 1 maart 1723
verzocht Mues dat Reijer in Alkmaar zou worden aangeschreven om te verschijnen
in Schagen. Op 12 april liet Reijer zich vertegenwoordigen door advocaat
Kerckhoven. Hij gaf aan zich vrijwillig te laten veroordelen als verkoper van de
molen aan Mues, met voorbehoud van zijn rechten op vorige eigenaars van de
molen. Alle partijen konden zich hierin vinden. De schepenen deden vervolgens
uitspraak waarbij de molen verkocht moest worden indien
nu niet spoedig dit bedrag voldaan zou worden
Huwelijk kinderen Op
7 febuari 1723 trouwde Trijntje Reijers, een dochter van Reijer. Zoals ook haar
oma en haar zuster trouwde ook Trijntje als molenaarsdochter met een
binnenschipper. Zijn naam was Hendrik Jansz. Sneekes, en zij vestigden zich in
Nieuwe Niedorp. Een
jaar later ging ook haar broer Jacob trouwen. Het wettelijk huwelijk vond plaats
op
zondag 11 juni 1724 in Bergen. Jacob trouwde met Jannetje Cornelis Burger uit Bergen
(N.H.),
en zij vestigden zich in Schoorl. Jacob is daar waarschijnlijk bakker
geworden.
Proces over de erfenis Of
er tijdens het huwelijksfeest van Jacob ook al over gesproken is me niet bekend, maar
precies één dag na dit huwelijk, op 12 juni werd er een proces aangespannen
tegen Reijer door twee van zijn kinderen. Dit vanwege de nalatenschap van hun
moeder Maartje Pieters. Reijer en Maartje hadden namelijk nooit een testament
laten opmaken, en daarom eisten Jan Reijersz., wonende in de Waert (Winkelderwaert
??), en Poulus Dirksz. Clomp, als gehuwd met Maartje Reijers, wonende te Schagen,
nu hun erfdeel op. Zij verklaarden daarbij dat hun (schoon)vader tot op dat
moment in gebreke was gebleven om een inventarisatie van de gemeenschappelijke
boedel te maken, en om tot verdeling hiervan te komen. 13
juni gaven zij volmacht aan een procureur om hun zaken te
behartigen. 3 juli stond deze zaak op de rol voor een reactie van Reijer
Pietersz., welke reactie op 24 juli 1724 kwam, want
toen verklaarde Reijer bij monde van zijn zaakwaarnemer dat hij hiertoe
nooit onwillig is geweest, en altijd bereid is geweest om tot een verdeling van
de boedel te komen, zonder dat daar een rechter aan te pas had hoeven komen.
Vervolgens deed hij het voorstel om alsnog tot inventarisatie en verdeling van
de boedel te komen waarbij ook rekening zou moeten worden gehouden met het gene
Jan Reijersz. en Poulus Dirksz. Clomp reeds ontvangen hadden. Nadat Reijers
procureur deze verklaring had gedaan, deden de schepenen het verzoek aan beide
partijen om op maandag 7 augustus 1724 's morgens om 10 uur te verschijnen in
herberg De Roode Leeuw te Schagen om tot een accoord te komen. Op 14 augustus
werd uitspraak gedaan in deze zaak. De zaakwaarnemer van Jan en Poulus Dirksz.
accepteerde de presentatie van Reijer op 24 juli gedaan, en ook Reijers
zaakwaarnemer verzocht veroordeling op grond van "de soo billijcke
presentatie" van Reijer op 24 juli. Hij verwees echter nog wel naar de
kosten welke hem zo "impertinent" waren aangedaan. De uitspraak luidde
vervolgens dat Reijer een behoorlijke inventarisatie moest geven van de boedel,
en dat deze vervolgens verdeeld moest worden. De kosten hoefden nog niet betaald
te worden. Een boedelbeschrijving is helaas niet terug te vinden in de
archieven.
In 1725 blijken er opnieuw problemen te zijn met de afbetaling van de twee korenmolens in Schagen. Op 23 april 1725 starten de erfgenamen van Joris Garbrantsz uit Berkhout een proces tegen de huidige eigenaars van de molens (Pieter Pietersz Laagedijk en de weduwe van Mues Adriaansz). Beide molens waren in 1709 door Jacob Hillebrantsz verkocht aan Aalbert Aalbertsz Cool. Jacob had zijn vordering op Aalbert in januari 1717 verkocht aan genoemde Joris Garbrantsz. Deze vordering betrof de op dat moment nog 14 resterende afbetalingstermijnen van 400 gulden per jaar. Na de verkoop in 1717 hebben Reijer en Mues nog een paar termijnen betaald. De laatste aflossing was door Reijer betaald op 1 november 1721 (een bedrag van 100 gulden). De achterstand bedroeg nu 1.500 gulden (1 november 1721 nog 300 gulden en 1 november 1722 t/m 1724 nog drie keer 400 gulden). Op 7 mei 1725 verzochten Pieter Pietersz en de weduwe van Mues Adriaansz uitstel totdat de zaak met de verkopers van de molens is afgewikkeld. Blijkbaar stond Reijer Pietersz garant voor de afbetalingstermijnen. Zij verzochten dat Reijer in Alkmaar een dagvaarding zou krijgen om op 4 juni 1725 om 9 uur 's-morgens op het gerecht van Schagen te verschijnen om de eis aan te horen. De schepenen gingen hiermee akkoord.
In Schagen was Mues Adriaansz. dus komen te overlijden. Zijn gewezen knecht Maarten Reijersz., de zoon van Reijer Pietersz., huurde vervolgens van de weduwe van Mues Adriaansz. de korenmolen op het Noord en de achterwoning. Het huurcontract werd op 30 juli 1725 opgesteld door een notaris te Schagen. Ook Reijer heeft zijn handtekening onder het contract geplaatst. Hij had zich namelijk tot borg gesteld voor de betaling van de huur door zijn zoon Maarten. Het huurcontract bevatte de volgende voorwaarden:
Op zondag 5 oktober 1727 zal er wel een lekker briesje hebben gestaan. Maarten Reijersz. die meelmolenaar op het Noord in Schagen was wou daarom wel malen, dus ging hij naar het huis van de officier om toestemming te vragen, want op die dag mocht er eigenlijk niet gewerkt worden volgens de keur van Schagen. De officier was er echter niet, en toen hij er bij het tweede bezoek van Maarten nog niet was, gaf de "maijt" toestemming, en ging Maarten aan het malen. Op 20 oktober moest Maarten hiervoor bij de rechter komen, en werd hij veroordeeld tot een boete van 3 gulden + kosten.
Lief en leed Op 18 januari 1725 trouwde in Alkmaar Peter Peterse van Langedijck en Anne Cornelis Claver. Getuigen bij dit huwelijk waren Reijer Peterse van der Meulen, zoals hij hier werd genoemd, en z'n zoon Simon Reijersz van der Meulen. De vraag is of het bruidspaar familie was van Reijer en z'n zoon. De bruidegom zou een neef (de zoon van tante Brecht Reijers) kunnen zijn geweest. Hij was in ieder geval degene aan wie Reijer in 1722 zijn korenmolen op de Loet in Schagen had verkocht.
Een ander huwelijk was dat van een zoon van
Reijer.
De verkoper Hillebrant Pietersz. was dezelfde als
degene die jaarlijks 200 gulden verschuldigd was aan Reijer Pietersz. vanwege de
koop van de korenmolen van Warmenhuizen.
Reijers schoondochter Antje Cornelis Wieringen is omstreeks die tijd komen te overlijden. Op 29 februari verkocht Simon Reijersz. van der Meulen vervolgens de "kustingbrief" op de korenmolen op de stadswal van Alkmaar. Dit hield in dat Reijer en Simon de afbetalingstermijnen van de in 1714 gekochte molen nu voortaan aan de koper van de "kustingbrief" moesten betalen.
Simon van der Meulen is op 27 juni 1728 hertrouwd met Lijsbeth Michiels Philander, afkomstig uit de Achterstraat in Alkmaar. Zij was nog niet eerder gehuwd geweest, en was in verwachting van een kind. Simon woonde op dat moment aan de Oudegracht. Hij is vermoedelijk rond 1730 of 1731 overleden.
Testament Op 15 mei 1728 kwam een Alkmaarse notaris bij Reijer thuis langs om een testament op te maken. Reijer van der Meulen zoals hij hier werd genoemd, woonde in de Koornlaan aan de stadssingel te Alkmaar. Hij stelde zijn kinderen Sijmon, Lijsbeth en Maartje in de legitieme portie, en zijn vier andere kinderen, Maarten, Jacob, Jan en Trijntje voor wat betreft zijn verdere goederen tot enige erfgenamen. Waarschijnlijk zullen bij de verdeling van de erfenis van Maartje Pieters sommige kinderen (de op het moment van haar overlijden meerderjarigen) meer hebben ontvangen dan de andere kinderen. Bij
de verkoopakte van een bakkerij in 1728 bevonden zich een aantal verklaringen van
Reijers kinderen dat zij volledig voldaan waren van hun moeders erfenis,
"en dat wel met penningen van tijd tot tijt ter goeder reeckeningh en in
minderingh onser voorsz. pretensie getrocken, gelijck bij uijtreekening klaar is
gebleecken".
Verkoop huizen Zo af en toe verkocht Reijer wat van zijn eigendommen. Zijn bakkerij te Kalverdijk, verkocht hij in mei 1725. Er werd overigens gesproken over een vervallen bakkerij. Reijer kreeg hier 70 gulden voor. Het overgebleven bakkersgereedschap, behalve de broodborden, moest hij dan wel eerst uit de bakkerij verwijderen.
Op 26 mei 1727 verkocht Reijer een huis welke gelegen was op de Loet in Schagen. Hij kreeg hier slechts 11 gulden voor.
De bakkerij op Krabbendam verkocht hij op 9 november 1728 aan Hendrik Cornelisz. Loet. Hij ontving hiervoor een bedrag van 250 gulden.
Op 12 maart 1730 verkocht Reijer de bakkerij op de Zuiderbuurt in Warmenhuizen aan Willem Harmensz. Vool. Bij de koopsom van 500 gulden was ook het bakkersgereedschap inbegrepen.
Schoorl Woonde
Reijer op 15 mei 1728 nog in Alkmaar, op 9 november van dat jaar blijkt hij in
Schoorl te wonen. Hij was waarschijnlijk bij Jacob Reijersz. en
diens vrouw en twee kinderen gaan inwonen. Deze zoon van Reijer zou in die tijd bier hebben vervoerd uit de brouwerij 't Fortuijn zonder belasting te hebben betaald. Volgens de impostmeester die dit ontdekt had, waren hij en Jacob op 21 mei 1729 schriftelijk overeengekomen dat Jacob 120 gulden zou betalen voor deze fraude. De eerste helft van dit bedrag had op 28 mei 1729 betaald moeten worden, maar dat had Jacob ondanks diverse vriendelijke verzoeken nog niet gedaan. De impostmeester (van 't kleijn zegel en gedrukte papieren) diende zijn eis tot betalen op 18 juni 1729 in bij de belastingrechter. Op een latere zitting moest Jacob met zijn antwoord komen, maar hij was niet op komen dagen. Reijer Pietersz woonde op 12 maart 1730 nog in Schoorl. Vermoedelijk is hij omstreeks 1732 na het overlijden van zijn zoon Jacob verhuisd naar Nieuwe Niedorp, waar zijn dochter Trijntje woonde.
Maarten Reijersz als meelmolenaar in Schagen Reijers zoon Maarten was nog steeds meelmolenaar in Schagen. Hij huurde de molen op het Noord in Schagen van Maartje Dirks, de weduwe van Mues Adriaansz. Maartje had het niet makkelijk. Zij was in 1725 hertrouwd met Reijer Cornelisz Grootschoen. Deze had Maartje echter in de steek gelaten en hield zich op in Den Helder als bakkersknecht, zonder dat Maartje iets wist over zijn terugkomst. Maartje had nog twee kinderen uit haar huwelijk met Mues. De molen op het Noord had zij in 1727 verkocht aan Jan de Jongh uit Zijdewind, maar deze betaalde niet voor de molen, en ook de transportakte was nog niet gepasseerd. Maartje kreeg toestemming om zonder haar man te procederen tegen Jan de Jongh. Op 10 mei 1728 bekende deze Jan de Jongh de koop, en hij wou wel betalen als hij de huurpenningen van Maarten Reijersz vanaf 1 november 1727 zou ontvangen. Op 14 februari 1729 had hij nog steeds niet betaald. Dit keer zei hij dat er sprake was van een recht van overpad over het molenpad waarvan hij niet op de hoogte was ten tijde van de koop. De molen had voor hem dus minder waarde dan hij dacht tijdens de koop.
Maarten
Reijersz veranderde in 1729 van molen. Mogelijk had dit te maken met de
perikelen rond de nieuwe eigenaar Jan de Jongh. Ingaande 1 mei 1729 huurde hij de meelmolen op de
Loet van Pieter Lagedijk. Hij werd
hier Maarten Reijersz. van der Molen genoemd, en de huur zou duren tot 1 mei
1731. Maarten is hierna in het huwelijk getreden met Trijntje Cornelis (Wagemaker). Dit vond
plaats in Schagen op 8 mei 1729. Omstreeks 1732 is hij naar Jisp verhuisd. Hij
werd daar meelmolenaar.
Overlijden van Reijer Pietersz Nadat Reijer verhuisde naar Nieuwe Niedorp is hij aldaar in het huis van Trijnje Reijers en Hendrik Sneekes met pinkster 1737 overleden. Als mijn berekening goed is geweest viel pinkster dat jaar op 9 en 10 juni. Reijer was toen zo`n 74 jaar oud. Zijn nalatenschap bestond uit 1.800 gulden contant geld alsmede vorderingen op de kopers van de molens te Warmenhuizen en Schagen. In de jaren 1737 - 1742 is hierop nog 1.500 gulden ontvangen door de erfgenamen van Reijer, en in de jaren 1742 - 1747 mogelijk nog zo'n 1.000 gulden. Wat
opvalt is dat de ontvangen aflossingen van de molens door de zes erfgenamen in
zes gelijke delen werd verdeeld, terwijl de molens in Schagen ooit waren gekocht
door Reijer als vader en voogd over zijn drie dochters.
De
erfgenamen van Reijer verkochten op 23 oktober 1742 nog een akker zaadland in
Warmenhuizen voor 42 gulden Op
9 april 1743 tenslotte verkochten ze voor 163 gulden een stuk grasland in het
Kerkmeertje (door Reijer gekocht in 1695).
|
|||||
|
|